ECLI:NL:CRVB:2012:BW6398
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- J. Riphagen
- J.P.M. Zeijen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering Ziektewet-uitkering wegens ontbreken medische grondslag
Appellant was sinds 24 september 2001 werkzaam als sociotherapeutisch medewerker en meldde zich ziek met ingang van 25 september 2002. Het UWV weigerde een Ziektewet-uitkering toe te kennen per die datum, omdat appellant niet arbeidsongeschikt was in de zin van de Ziektewet. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat de medische deskundige geen syndromale psychiatrische stoornis had vastgesteld, maar slechts persoonlijkheidsproblematiek die niet als ziekte of gebrek kwalificeerbaar is.
Appellant ging in hoger beroep tegen dit oordeel en vorderde tevens schadevergoeding wegens het niet-uitbetalen van de uitkering en overschrijding van de redelijke termijn. De Centrale Raad van Beroep bevestigde het oordeel van de rechtbank en stelde vast dat een afwijkende karakterstructuur of persoonlijkheidsstoornis in het algemeen niet als ziekte of gebrek kan worden aangemerkt en dus geen beperkingen oplevert die voor de Ziektewet in aanmerking komen.
De Raad concludeerde dat op de datum in geding geen als ziekte of gebrek te duiden toestand aanwezig was en wees het verzoek om schadevergoeding af. Ook werd vastgesteld dat er geen sprake was van schending van de redelijke termijn door de Raad. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en het bestreden besluit gehandhaafd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om ZW-uitkering en schadevergoeding wordt afgewezen.