ECLI:NL:CRVB:2012:BW6215
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- H. Bolt
- J.J.T. van den Corput
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewet-uitkering wegens onvoldoende medische grondslag
Appellant was laatstelijk werkzaam als technisch medewerker en ontving vanaf 17 april 2006 een WW-uitkering. Hij meldde zich meerdere keren ziek met psychische klachten. Het UWV stelde bij besluit van 24 oktober 2008 vast dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was en daarom geen recht had op een WIA-uitkering.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen het besluit van het UWV ongegrond, omdat de medische beoordeling zorgvuldig was en appellant op 1 oktober 2009 geschikt werd geacht voor zijn werk als schoonmaker en de geduide functies. Appellant voerde in hoger beroep aan dat zijn psychische klachten ernstig waren en verergerd, waardoor hij niet in staat was om arbeid te verrichten.
Het UWV stelde dat de diagnose dysthyme stoornis sinds 2007 bekend was en dat lichte stemmingsstoornissen het verrichten van stressarme functies mogelijk maakten. De Raad oordeelde dat appellant geen nieuwe medische gegevens had aangeleverd die het eerdere oordeel konden weerleggen. De medische rapporten toonden een onveranderd klachtenpatroon en appellant was pas in januari 2010 bij psychiater Hertroys in behandeling gekomen, na de datum in geschil.
De Raad concludeerde dat het UWV terecht de Ziektewet-uitkering per 1 oktober 2009 had beëindigd en bevestigde het bestreden besluit. Er waren geen gronden voor toepassing van artikel 8:75 Awb Pro. De uitspraak werd gedaan door de Centrale Raad van Beroep op 16 mei 2012.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de Ziektewet-uitkering per 1 oktober 2009 wegens onvoldoende medische grondslag.