ECLI:NL:CRVB:2012:BW6000
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- W.F. Claessens
- E.C.R. Schut
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken van procesbelang bij opschorting en intrekking bijstand
Appellante ontving sinds februari 2007 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Het college van burgemeester en wethouders van Roermond heeft bij besluit van 14 april 2009 het recht op bijstand van appellante opgeschort vanwege het niet overleggen van gevraagde gegevens over een buitenlandse bankrekening. Dit besluit is na bezwaar gehandhaafd.
Daarnaast heeft het college een besluit genomen tot intrekking van de bijstand met ingang van 9 maart 2009, dat in rechte onaantastbaar is geworden omdat appellante hiertegen geen beroep heeft ingesteld. Na intrekking heeft appellante geen nieuwe bijstand aangevraagd.
In hoger beroep stelt appellante zich tegen de uitspraak van de rechtbank die het beroep tegen het opschortingsbesluit ongegrond verklaarde. De Raad beoordeelt echter dat appellante geen voldoende procesbelang heeft omdat het onaantastbare intrekkingsbesluit de voortzetting van de bijstand verhindert. Ook is niet gebleken dat appellante schade heeft geleden of dat zij een verzoek tot vergoeding van bezwaar kosten heeft ingediend.
De gemachtigde van appellante kon ter zitting niet aangeven welk procesbelang nog aanwezig was. Gezien het ontbreken van een rechtens te honoreren belang verklaart de Centrale Raad van Beroep het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een voldoende procesbelang.