ECLI:NL:CRVB:2012:BW5687

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
14 mei 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11-4890 AW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:12 ARGArt. 8:75 Awb
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging besluit verlenging tijdelijke aanstelling ambtenaar voor zes maanden

Appellant was vanaf 1 januari 2010 tijdelijk aangesteld bij de gemeente ’s-Gravenhage voor twaalf maanden met de mogelijkheid tot beoordeling voor een vaste aanstelling. Na een positieve beoordeling in juni 2010 werd appellant in december 2010 geïnformeerd over een voorgenomen verlenging van zes maanden. Het college besloot dit formeel in februari 2011.

Appellant maakte bezwaar tegen deze beslissing en vorderde een vaste aanstelling of een verlenging van twaalf maanden, onder meer op grond van het vertrouwensbeginsel en artikel 8:12 van Pro de Arbeidsvoorwaardenregeling gemeente Den Haag (ARG). De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit in hoger beroep.

De Raad overwoog dat geen uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezegging was gedaan die het college verplicht tot een vaste aanstelling. Het beroep op het vertrouwensbeginsel en op artikel 8:12 ARG Pro faalde omdat appellant vooraf op de hoogte was van de zes maanden verlenging. De Raad zag geen reden om het besluit te vernietigen en wees het beroep af.

Uitkomst: De tijdelijke aanstelling van appellant is rechtsgeldig verlengd voor zes maanden; geen recht op vaste aanstelling.

Uitspraak

11/4890 AW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 22 juli 2011, 11/4467 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het College van burgemeester en wethouders van 's-Gravenhage (college)
Datum uitspraak: 14 mei 2012
PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 april 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. A.B.B. Beelaard, advocaat. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. O.M. Langemeijer.
De zaak is verwezen naar de meervoudige kamer. Partijen hebben toestemming verleend tot afdoening buiten zitting.
OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Appellant is bij besluit van 18 januari 2010 met ingang van 1 januari 2010 door het college in tijdelijke dienst aangesteld als medewerker documentatie informatievoorziening bij de Dienst Stedelijke Ontwikkeling van de gemeente ’s-Gravenhage voor de duur van twaalf maanden tot 1 januari 2011. Tevens is in dit besluit aan appellant meegedeeld dat gedurende de aanstellingsperiode het college een oordeel zal vormen over het functioneren van appellant en dat op basis daarvan tijdig een besluit plaatsvindt of appellant na afloop van de tijdelijke aanstelling in vaste dienst wordt aangesteld.
1.2. Op 17 juni 2010 is een beoordeling opgemaakt met betrekking tot het functioneren van appellant. Het samenvattend oordeel is ‘goed’. De beoordelaar heeft hierbij aangegeven dat appellant uitstekend functioneert en heeft verzocht om de tijdelijke aanstelling van appellant om te zetten in een vaste aanstelling met ingang van 1 januari 2011. In een gesprek met de leidinggevende op 8 december 2010 is appellant meegedeeld dat het voornemen bestaat zijn aanstelling met zes maanden te verlengen.
1.3. Bij besluit van 17 februari 2011 is - voor zover hier van belang - de aanstelling van appellant met ingang van 1 januari 2011 verlengd voor de duur van zes maanden.
1.4. Het bezwaar van appellant tegen het besluit van 17 februari 2011 is bij het bestreden besluit van 11 april 2011 ongegrond verklaard.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe is overwogen dat, mede gezien tegen de achtergrond van de reorganisatie en de vacaturestop, niet is gebleken dat geen toereikende grondslag voor het niet verlengen van het dienstverband voor een periode van twaalf maanden, dan wel voor het niet verlenen van een vaste aanstelling aan appellant zou bestaan.
3. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat bij hem verwachtingen zijn gewekt dat zijn tijdelijke aanstelling met ingang van 1 januari 2011 zou worden omgezet in een vaste aanstelling. Ter onderbouwing heeft appellant verwezen naar zijn positieve beoordeling van 17 juni 2010, naar de omstandigheid dat hij met toestemming van het college vanaf september 2010 een tweejarige opleiding is gaan volgen en naar het feit dat het college het besluit van 17 februari 2011 in verband met de verlenging van de tijdelijke aanstelling van appellant voor de duur van zes maanden niet tijdig heeft genomen. Tevens heeft appellant aangevoerd dat, gelet op artikel 8:12, eerste lid, van de Arbeidsvoorwaardenregeling gemeente Den Haag (ARG), zijn tijdelijke aanstelling geacht moet worden te zijn verlengd met een periode van twaalf maanden in plaats van zes maanden.
4. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad het volgende.
4.1. Volgens vaste rechtspraak (CRvB 29 december 2005, LJN AU9224) vloeit uit de omstandigheid dat een ambtenaar in tijdelijke dienst voor bepaalde tijd is aangesteld voort dat het bestuursorgaan niet gehouden is die aanstelling na afloop van de gestelde termijn te verlengen of om te zetten in een vaste aanstelling, tenzij er een verplichting bestaat tot voortzetting van het dienstverband, dan wel het niet verlengen in strijd zou komen met enige regel van ongeschreven recht.
4.2. Zoals de rechtbank heeft overwogen, is niet gebleken dat aan appellant met betrekking tot het verlenen van een vaste aanstelling enige uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezegging is gedaan die het college had dienen te honoreren. Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt dan ook niet. Hierin is dan ook geen grond gelegen om te oordelen dat het college geen gebruik heeft mogen maken van zijn bevoegdheid de tijdelijke aanstelling van appellant voor bepaalde tijd tot 1 januari 2011 niet om te zetten in een vaste aanstelling.
4.3. Ook het door appellant gedane beroep op artikel 8:12, eerste lid, van de ARG kan niet slagen. Dit artikellid luidt als volgt:
“1. De ambtenaar die tijdelijk is aangesteld voor bepaalde tijd is van rechtswege ontslagen op de datum waarop die tijd verstrijkt. Indien na de datum, bedoeld in de eerste volzin, het dienstverband feitelijk wordt gehandhaafd zonder dat opnieuw een aanstelling is verleend, wordt de tijdelijke aanstelling geacht voor dezelfde tijd te zijn aangegaan.”
Het besluit van 17 februari 2011, waarbij de tijdelijke aanstelling van appellant met terugwerkende kracht is verlengd met - slechts - zes maanden, dateert weliswaar van ruim anderhalve maand nadat de oorspronkelijke aanstelling van appellant was afgelopen, maar appellant was er reeds voor de afloop van zijn tijdelijke aanstelling mee bekend dat zijn aanstelling maar voor zes maanden zou worden verlengd. Onder deze omstandigheden komt appellant in redelijkheid geen beroep toe op het bepaalde in artikel 8:12, eerste lid, van de ARG toe.
5. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet kan slagen en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
6. De Raad ziet geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake proceskosten.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M.C. Bruning als voorzitter en K. Zeilemaker en K.J. Kraan als leden, in tegenwoordigheid van M.C. Nijholt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 mei 2012.
(get.) M.C. Bruning.
(get.) M.C. Nijholt.
HD