ECLI:NL:CRVB:2012:BW5678
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Weigering kinderbijslag wegens onvoldoende onderwijsuren en niet-werkloosheid zoon appellant
Appellant ontving kinderbijslag voor zijn zoon die voltijds onderwijs volgde in studiejaar 2006-2007. Vanaf studiejaar 2007-2008 volgde de zoon een beroepsbegeleidende leerweg, maar vond geen stageplaats en volgde daardoor slechts één dag per week onderwijs. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) weigerde kinderbijslag vanaf het vierde kwartaal 2007 omdat de zoon niet voldeed aan de minimale onderwijsuren en niet als werkloos geregistreerd stond.
Appellant maakte bezwaar tegen deze weigering en voerde aan dat de moeite om een stageplaats te vinden niet in aanmerking mocht worden genomen en dat er sprake was van verboden onderscheid en schending van het recht op onderwijs volgens het IVRK. De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit in hoger beroep.
De Raad oordeelde dat de zoon niet voldeed aan de vereiste 213 klokuren per kwartaal of 1600 studie-uren per jaar. De reden voor het ontbreken van een stageplaats was juridisch irrelevant. Tevens werd vastgesteld dat de zoon niet als werkloos in de zin van de AKW kon worden aangemerkt. Er was geen sprake van een verboden onderscheid tussen werkzoekende minderjarigen en minderjarigen die stage zoeken. Ook werd geen inbreuk gemaakt op het recht op onderwijs uit artikel 28 IVRK Pro, aangezien de toegang tot onderwijs niet financieel werd belemmerd.
De Raad bevestigde de eerdere uitspraak en wees het hoger beroep af, zonder proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van kinderbijslag omdat de zoon niet voldeed aan de vereiste onderwijsuren en niet als werkloos kon worden aangemerkt.