ECLI:NL:CRVB:2012:BW5431

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
8 mei 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10/3310 WWB + 10/3335 WWB
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 WWB
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging verlaging bijstand wegens belemmering re-integratietraject

Appellanten ontvangen sinds 1996 bijstand en appellant heeft geprobeerd een eigen praktijk als heilpraktiker te voeren, maar na afwijzing van Bbz-aanvragen is hij aangemeld voor een re-integratietraject bij het Centrum voor Baan en Beroep (CBB).

Tijdens het traject stelde appellant zich defensief en respectloos op, weigerde hij mee te werken en beëindigde hij gesprekken voortijdig. Dit leidde tot stopzetting van het traject op 13 maart 2009. Het college legde daarop een maatregel op van 20% verlaging van de bijstand voor een maand.

Appellanten betwistten de belemmering en het respectloze gedrag, maar konden de feiten uit de eindrapportage niet weerleggen. Ook het betoog dat appellant niet voldoende was gewaarschuwd faalde. De Raad oordeelde dat de verlaging terecht is opgelegd omdat appellant de inschakeling in arbeid heeft belemmerd.

De rechtbank had het beroep tegen deze maatregel al ongegrond verklaard, en de Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.

Uitkomst: De verlaging van de bijstand met 20% voor de duur van een maand wordt bevestigd wegens belemmering van de inschakeling in arbeid.

Uitspraak

10/3310 WWB
10/3335 WWB
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant] (appellant) en [appellante] (appellante), beiden wonende te [woonplaats],
tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 4 mei 2010, 09/1784 (aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellanten
en
het college van burgemeester en wethouders van Sittard-Geleen (college)
Datum uitspraak: 8 mei 2012
I. PROCESVERLOOP
Namens appellanten heeft mr. R.C. Breuls, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 maart 2012. Appellanten zijn, met bericht, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. P.M. Benning.
II. OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en
omstandigheden.
1.1. Appellanten ontvangen vanaf 1 maart 1996 bijstand, laatstelijk op grond van de
Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor gehuwden. Appellant is gedurende vijf jaar doende geweest met een eigen praktijk als heilpraktiker en heeft daarvoor aanvragen ingediend voor een uitkering ingevolge het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen (Bbz). Na afwijzing van de laatste Bbz-aanvraag heeft een doelmatigheidsonderzoek plaatsgevonden, dat heeft geleid tot het besluit van 2 december 2008. In dit besluit heeft het college appellanten meegedeeld dat appellant is aangemeld voor een re-integratietraject bij het Centrum voor Baan en Beroep (CBB) en dat de in artikel 9 van Pro de WWB neergelegde arbeidsverplichtingen voor hem volledig gelden.
1.2. Over het verloop van het traject heeft M. [naam medewerker CBB] ([naam medewerker CBB]), verbonden aan het CBB, op 13 maart 2009 een eindrapportage opgesteld, waaraan het volgende is ontleend. Appellant heeft tijdens het intakegesprek defensief gereageerd op het aangeboden
re-integratietraject en aangegeven hieraan niet mee te willen werken. Daarop heeft op
15 februari 2009 een driegesprek plaatsgevonden. [naam medewerker CBB] heeft de bedoeling van het
re-integratietraject uitgelegd en appellant gewezen op zijn verplichting volledige medewerking te verlenen aan dit traject. Appellant heeft zich weer defensief opgesteld en aangegeven het niet eens te zijn met de beslissing om een traject te starten, maar dat hij daaraan wel zal deelnemen. Appellant heeft het driegesprek beëindigd door weg te lopen. Vervolgens is twee keer een afspraak met appellant gemaakt voor ondertekening van het trajectplan. Appellant is de eerste keer zonder bericht niet verschenen en heeft zich voor de tweede keer telefonisch afgemeld. Op 11 maart 2009 heeft uiteindelijk een gesprek plaatsgevonden waarbij appellant onder meer heeft verklaard niet aan het traject te willen meewerken, waarna het gesprek door [naam medewerker CBB] is beëindigd. Het traject bij het CBB is vervolgens vanwege houding en gedrag van appellant met ingang van 13 maart 2009 stopgezet.
1.3. Bij besluit van 3 april 2009 heeft het college met ingang van 1 mei 2009 aan appellanten een maatregel opgelegd, bestaande uit een verlaging van de bijstand met 20% voor de duur van een maand. Aan dit besluit is - kort samengevat - ten grondslag gelegd dat appellant zich bij het CBB zeer respectloos heeft opgesteld en dat hij te kennen heeft gegeven niet aan het re-integratietraject te willen meewerken, waardoor hij de start van zijn traject onmogelijk heeft gemaakt.
1.4. Bij besluit van 14 september 2009 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 3 april 2009 ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Appellanten hebben zich in hoger beroep op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. Ter zitting van de Raad heeft het college toegelicht dat appellant is aangemeld bij het CBB, omdat het hem ook na jaren niet is gelukt om met zijn praktijk als heilpraktiker volledig in zijn bestaan te voorzien. Al die tijd heeft appellant aanvullende bijstand ontvangen. Het re-integratietraject is juist ingezet om een einde te maken aan die situatie en appellant te begeleiden naar algemeen geaccepteerde arbeid. Gegeven die omstandigheden kan het in de tekst van de eindrapportage van 13 maart 2009 opgenomen woord “uitkeringsafhankelijk” in de context van het doel van het traject niet anders worden opgevat dan als een kennelijke verschrijving. Appellant kan dan ook niet worden gevolgd in zijn stelling dat het wel degelijk de bedoeling was om hem uitkeringsafhankelijk te laten worden.
4.2. Appellanten hebben voorts betwist dat sprake is geweest van een belemmering van de inschakeling in de arbeid. Meer in het bijzonder betwisten zij dat appellant zich jegens het CBB zeer respectloos heeft opgesteld en dat appellant te kennen heeft gegeven aan het traject geen medewerking te willen verlenen. Dit betoog van appellant slaagt niet. De Raad verwijst naar de feiten en omstandigheden zoals vermeld in de onder 1.2 genoemde eindrapportage. Appellanten hebben daar onvoldoende tegenover gesteld. Evenmin slaagt, gelet op de inhoud van de eindrapportage, het betoog van appellant dat hij ten onrechte niet eerst is gewaarschuwd en dat hij slechts één uitnodiging voor een gesprek heeft ontvangen. Het college heeft dan ook terecht in houding, instelling en gedrag van appellant jegens het CBB - een en ander heeft ook geleid tot beëindiging van het
re-integratietraject - aanleiding gevonden voor de conclusie dat appellant de inschakeling in de arbeid heeft belemmerd, waarbij past de maatregel van verlaging van de bijstand van appellanten gedurende een maand met 20% van de bijstandsnorm.
4.3. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep van appellanten niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en R.H.M. Roelofs en
H.D. Stout als leden, in tegenwoordigheid van N.M. van Gorkum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 mei 2012.
(get.) C. van Viegen
(get.) N.M. van Gorkum
TM