ECLI:NL:CRVB:2012:BW4695

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
2 mei 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-3440 ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:7 AwbArt. 6:11 AwbArt. 75k ZW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-ontvankelijkheid bezwaar tegen beëindiging ZW-uitkering wegens termijnoverschrijding

Appellant was ziek gemeld en ontving een Ziektewetuitkering. Op 27 november 2009 concludeerde een verzekeringsarts dat appellant vanaf 1 december 2009 weer geschikt was voor eigen arbeid, waarna het UWV de ZW-uitkering beëindigde. Appellant diende het bezwaarschrift echter pas op 21 december 2009 in, na de wettelijke termijn van twee weken.

Het UWV verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk wegens overschrijding van de termijn en het ontbreken van bijzondere omstandigheden die dit konden rechtvaardigen. De rechtbank Arnhem verklaarde het beroep ongegrond. Appellant voerde in hoger beroep aan dat zijn depressieve toestand hem verhinderde tijdig bezwaar te maken en overhandigde medische stukken.

De Raad oordeelde dat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat zijn psychische klachten hem gedurende de relevante periode verhinderden om bezwaar te maken. De overgelegde verklaring van de psychiater betrof een latere periode en was daarom niet relevant. De Raad bevestigde de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar en zag geen aanleiding tot proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het bezwaar tegen de beëindiging van de ZW-uitkering is niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening zonder verontschuldigbare omstandigheden.

Uitspraak

10/3440 ZW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 6 mei 2010, 10/310 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak 2 mei 2012.
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. J.J. van Vliet, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 4 april 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van Vliet. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. P.J. Reith.
OVERWEGINGEN
1.1. Appellant heeft zich op 15 mei 2009 uit zijn werk als kapper in opleiding gedurende vier uur per week ziek gemeld met diverse klachten. Aan appellant is een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend.
1.2. Bij onderzoek van appellant op 27 november 2009 is de verzekeringsarts tot de conclusie gekomen dat appellant met ingang van 1 december 2009 weer geschikt is voor de eigen arbeid. Het Uwv heeft bij besluit van 27 november 2009 aan appellant meegedeeld dat hij vanaf 1 december 2009 geen recht meer heeft op een ZW-uitkering. In dit besluit staat vermeld dat als appellant bezwaar wil maken, hij dat dient te doen binnen twee weken na dagtekening van het besluit, dus uiterlijk op 11 december 2009.
1.3. Het Uwv heeft op 23 december 2009 een bezwaarschrift van appellant, gedateerd 21 december 2009, ontvangen. Omdat de termijn van twee weken toen al was verstreken heeft het Uwv bij brief van 6 januari 2010 aan appellant gevraagd naar de reden van het te laat indienen van het bezwaar. Bij brief van 12 januari 2010 heeft appellant het Uwv laten weten dat hij zwaar depressief was en voor het schrijven van een bezwaarschrift afhankelijk was van derden, maar bijna geen sociale contacten had. Op 14 januari 2010 is telefonisch contact tussen het Uwv en appellant geweest waaruit dezelfde informatie naar voren is gekomen.
1.4. Bij besluit van 14 januari 2010 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 27 november 2009 niet-ontvankelijk verklaard omdat het bezwaar na de daarvoor gestelde termijn eerst op 23 december 2009 is ontvangen en niet gebleken is van bijzondere omstandigheden waardoor appellant niet in de gelegenheid was tijdig bezwaar te maken of namens hem bezwaar te laten maken.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Appellant kan zich niet verenigen met de aangevallen uitspraak en heeft in hoger beroep zijn standpunt herhaald dat hij niet in staat is geweest om tijdig bezwaar te maken als gevolg van zijn depressieve toestand. Appellant heeft hiertoe een aantal medische stukken bij de Raad ingediend.
4. De Raad oordeelt als volgt.
4.1. In uitzondering op de algemene termijn van zes weken voor het indienen van een bezwaarschrift, neergelegd in artikel 6:7 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb), schrijft artikel 75k van de ZW voor dat de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift ingeval van een geschil van geneeskundige aard, twee weken bedraagt. Artikel 6:11 van Pro de Awb bepaalt dat ten aanzien van een na afloop van de hiervoor genoemde termijn ingediend bezwaarschrift, niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege blijft indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.
4.2. Niet in geschil is dat de termijn voor het maken van bezwaar tegen het besluit van 27 november 2009 liep van 27 november 2009 tot en met 11 december 2009. Ook is niet in geschil dat het bezwaarschrift van appellant na deze termijn is ingediend.
4.3. De Raad staat voor de vraag of hij zich kan stellen achter het oordeel van de rechtbank dat de termijnoverschrijding door appellant niet verontschuldigbaar is.
4.4. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat de aanwezige psychische klachten in de weg hebben gestaan aan het tijdig maken van bezwaar. In hoger beroep heeft appellant medische informatie van diverse behandelaars toegezonden, maar er is niet met een medische verklaring aangetoond dat hij in de gehele periode in geding om medische redenen niet in staat was om een bezwaarschrift in te (laten) dienen.
4.5. Ter zitting van de Raad is door appellant een verklaring overgelegd van zijn behandelend psychiater van 2 april 2012. Deze verklaring zegt iets over de situatie vanaf 27 februari 2012 terwijl de situatie waarover de Raad zich in deze uitspaak moet uitspreken de periode tussen 27 november 2009 en 11 december 2009 betreft. Gelet hierop gaat de Raad voorbij aan de inhoud van die verklaring.
4.6. Uit het vorenstaande volgt dat het bezwaar van appellant terecht niet-ontvankelijk is verklaard en de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
5. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door B.M. van Dun, in tegenwoordigheid van H.L. Schoor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 mei 2012.
(get.) B.M. van Dun.
(get.) H.L. Schoor.
TM