ECLI:NL:CRVB:2012:BW3244
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.F. Bandringa
- W.F. Claessens
- M. Hillen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens gezamenlijke huishouding volgens WWB
Appellante ontving bijstand op grond van de WWB met toeslag voor alleenstaanden. Na melding dat zij een kamer verhuurde aan [K.], onderzocht het college haar situatie en concludeerde dat sprake was van een gezamenlijke huishouding. Dit leidde tot intrekking van haar bijstand en afwijzing van een nieuwe aanvraag.
Appellante betwistte de gezamenlijke huishouding en stelde dat het onderzoek onzorgvuldig was, en dat een brief van UWV Werkbedrijf een besluit was waartegen bezwaar mogelijk was. De Raad oordeelde dat de verklaring van appellante, ondersteund door het huisbezoek, voldoende feitelijke grondslag bood voor het aannemen van wederzijdse zorg, een criterium voor gezamenlijke huishouding.
De brief van UWV werd niet als een bestuursbesluit aangemerkt, waardoor het bezwaar terecht niet-ontvankelijk werd verklaard. Verder oordeelde de Raad dat het onweerlegbaar rechtsvermoeden van gezamenlijke huishouding op appellante van toepassing was, en dat de door haar aangevoerde bijzondere omstandigheden onvoldoende waren om hiervan af te wijken.
De Raad bevestigde daarmee de eerdere uitspraken van de rechtbank en wees het hoger beroep van appellante af. De intrekking van de bijstand en de afwijzing van de aanvraag bleven in stand.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand en de afwijzing van de nieuwe aanvraag worden bevestigd wegens het voeren van een gezamenlijke huishouding.