ECLI:NL:CRVB:2012:BW2231
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot herziening intrekking WAO-uitkering wegens ontbreken nieuwe feiten
Appellant heeft bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) verzocht om terug te komen op het eerdere besluit van 5 januari 2007, waarbij zijn WAO-uitkering werd ingetrokken. Dit besluit was in bezwaar en beroep gehandhaafd en in rechte onaantastbaar geworden doordat tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam geen hoger beroep was ingesteld.
Het Uwv wees het verzoek van appellant af omdat er geen sprake was van nieuwe medische feiten of veranderde omstandigheden die aanleiding zouden geven tot herziening van het oorspronkelijke besluit. Deze afwijzing werd bevestigd door de rechtbank Amsterdam en vervolgens bestreden door appellant in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep.
De Raad overwoog dat bestuursorganen bevoegd zijn om herhaalde aanvragen inhoudelijk te beoordelen, maar dat de rechter zich bij toetsing moet beperken tot de vraag of er nieuwe feiten of omstandigheden zijn die herziening rechtvaardigen. De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank dat dergelijke nieuwe feiten of omstandigheden ontbraken, ondanks de door appellant aangevoerde toename van gezondheidsklachten en psychische problemen.
Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het verzoek om terug te komen op het intrekkingsbesluit van de WAO-uitkering wordt afgewezen wegens het ontbreken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden.