ECLI:NL:CRVB:2012:BW0077

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
27 maart 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-2601 BBZ
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Bbz 2004Art. 4:7 AwbArt. 4:8 AwbArt. 12 Bbz 2004
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging herziening bijstandsuitkering zelfstandige en omzetting leenbijstand in bijstand om niet

Appellant, een zelfstandige, ontving op grond van het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004) een renteloze lening als bijstand voor de algemene noodzakelijke kosten van het bestaan over de periode van 6 januari 2006 tot en met 5 januari 2007. Na onderzoek door het Zelfstandigen Loket Flevoland besloot het college van burgemeester en wethouders van Almere bij besluit van 20 december 2007 de verleende bijstand met terugwerkende kracht te herzien tot een uitkering voor een gevestigde zelfstandige, omdat het bedrijf van appellant levensvatbaar bleek.

Het college zette een bedrag van €15.955,15 om in bijstand 'om niet' en vorderde het restantbedrag niet terug. Appellant stelde dat hij vooraf had moeten worden gehoord over deze omzetting en dat hij gevrijwaard had moeten blijven van nadelige fiscale gevolgen. De rechtbank verklaarde het beroep tegen het besluit ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde deze uitspraak in hoger beroep.

De Raad oordeelde dat het Bbz 2004 geen grondslag biedt voor een hoorplicht voorafgaande aan het primaire besluit en dat er geen situatie was die een hoorplicht volgens de Algemene wet bestuursrecht vereiste. Ook stelde de Raad dat het Bbz 2004 geen basis biedt voor vrijwaring van fiscale consequenties, hoewel het college had gewezen op mogelijkheden om deze te vermijden. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de herziening van de bijstandsuitkering en de omzetting van leenbijstand in bijstand om niet zonder hoorplicht en zonder fiscale vrijwaring.

Uitspraak

10/2601 BBZ
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 30 maart 2010, 08/1565 (aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
het college van burgemeester en wethouders van Almere (college)
Datum uitspraak: 27 maart 2012
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op 14 februari 2012. Appellant is niet verschenen. Het college is, met bericht, niet verschenen.
II. OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en
omstandigheden.
1.1. Bij besluit van 8 juni 2006 heeft het college aan appellant als beëindigend zelfstandige op grond van artikel 2, eerste lid, aanhef en onder d, van het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004) over de periode van 6 januari 2006 tot en met 5 januari 2007 bijstand voor de algemene noodzakelijke kosten van het bestaan in de vorm van een renteloze geldlening toegekend.
1.2. Na een door Zelfstandigen Loket Flevoland verricht onderzoek heeft het college bij besluit van 20 december 2007 besloten:
- de aan appellant verleende bijstand met terugwerkende kracht te herzien in een uitkering voor een gevestigde zelfstandige, omdat het bedrijf van appellant, ondanks eerdere verwachtingen, toch levensvatbaar bleek te zijn en
- van de over het kalenderjaar 2006 verstrekte bijstand tot in totaal € 15.967,01 met toepassing van artikel 12, tweede lid, van het Bbz 2004 een bedrag van € 15.955,15 om te zetten in bijstand ‘om niet’ en het restantbedrag van € 11,86 niet terug te vorderen.
Daarnaast heeft het college in het besluit van 20 december 2007 gewezen op het volgende:
“Wij dragen over deze bijstand ‘om niet’ loonheffing af aan de Belastingdienst. U ontvangt een jaaropgave met betrekking tot deze lasten in het begin van het volgende kalenderjaar. Omdat de Belastingdienst deze uitkering ‘om niet’ beschouwt als belastbaar inkomen over het huidige kalenderjaar, kunt u uw boekhouder verzoeken om deze uitkering te ‘middelen’ over of toe te rekenen aan de periode waarop de uitkering betrekking had. Op deze manier voorkomt u een verhoging van uw belastbaar inkomen over dit kalenderjaar en daarmee een eventuele naheffing van de Belastingdienst.”
1.3. Bij besluit van 4 augustus 2008 (bestreden besluit), voor zover van belang, heeft het college het bezwaar van appellant tegen het besluit van 20 december 2007 ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen deze uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat hij de gemeente Almere indertijd schriftelijk heeft verzocht om gehoord te worden voordat zij een beslissing zou nemen over ‘renteloze verstrekking of om niet verstrekking’ en dat dit verzoek door de gemeente is genegeerd. Voor zover appellant hiermee heeft willen betogen dat het college hem ten onrechte niet heeft gehoord voordat het besluit van 20 december 2007 werd genomen, slaagt dit betoog niet. In het Bbz 2004 is geen grondslag voor een dergelijke hoorplicht te vinden, terwijl zich hier ook geen situatie voordoet als bedoeld in artikel 4:7 dan Pro wel artikel 4:8 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
4.2. Appellant heeft voorts, kort samengevat, aangevoerd dat ten onrechte geen rekening is gehouden met de voor hem onvoorziene nadelige fiscale consequenties van het na bezwaar gehandhaafde besluit van 20 december 2007.
Voor zover appellant hiermee heeft willen betogen dat hij bij de omzetting van de leenbijstand in bijstand ‘om niet’ gevrijwaard had moeten blijven van - mogelijk nadelige - fiscale consequenties daarvan, slaagt dat betoog niet, omdat het Bbz 2004 voor een dergelijke vrijwaring geen grondslag biedt. Overigens heeft het college in het besluit van 20 december 2007 vermeld op welke wijze nadelige fiscale consequenties van de omzetting kunnen worden vermeden.
4.3. Uit hetgeen in 4.1 en 4.2 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens, in tegenwoordigheid van J.M. Tason Avila als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 maart 2012.
(get.) W.F. Claessens.
(get.) J.M. Tason Avila.
HD