ECLI:NL:CRVB:2012:BV9962
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.W. Schuttel
- C.W.J. Schoor
- J.P.M. Zeijen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WAO-uitkering wegens ontbreken oorzakelijk verband tussen arbeidsongeschiktheidsgevallen
Appellante verzocht het UWV om hernieuwde toekenning van een WAO-uitkering met verkorte wachttijd voor werkneemster die in 2007 opnieuw uitviel wegens psychische klachten. Het UWV wees dit af omdat de uitval in 2007 niet voortvloeide uit dezelfde ziekteoorzaak als de eerdere arbeidsongeschiktheid waarvoor een WAO-uitkering was toegekend.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en vond geen aanleiding om het medische oordeel van de verzekeringsartsen te verwerpen. De bedrijfsarts en psychotherapeut stelden wel een recidief depressie vast, maar de bezwaarverzekeringsarts concludeerde dat dit niet gelijkgesteld kon worden aan een verergerend of opnieuw opspelend ziektebeeld.
In hoger beroep stelde appellante dat het UWV niet buiten twijfel had gesteld dat er geen verband was tussen de arbeidsongeschiktheidsgevallen. De Raad overwoog dat volgens vaste rechtspraak het UWV die bewijslast draagt en dat het in dit geval is geslaagd om het ontbreken van een oorzakelijk verband aan te tonen.
De Raad nam mee dat werkneemster tussen 2003 en 2007 geen psychische klachten had en haar werk naar tevredenheid verrichtte. De uitval in 2007 werd veroorzaakt door nieuwe belastende privéomstandigheden, waaronder mishandeling door de ex-echtgenoot, wat leidde tot een nieuwe depressieve episode die medisch gezien losstaat van de eerdere.
De Raad vond geen aanknopingspunten om het oordeel van de verzekeringsartsen te verwerpen en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WAO-uitkering wegens ontbreken van oorzakelijk verband tussen de arbeidsongeschiktheidsgevallen.