ECLI:NL:CRVB:2012:BV9786
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep op Wubo-aanspraken wegens ontbreken verplichte tewerkstelling
Appellant, geboren in 1929 in Nederlands-Indië, diende in april 2009 een aanvraag in om erkend te worden als burger-oorlogsslachtoffer onder de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo). Verweerder erkende dat appellant tijdens de Bersiap-periode oorlogsgeweld had ondervonden door internering, maar wees de aanvraag af wegens het ontbreken van blijvende invaliditeit en omdat het verblijf in fabrieken niet als verplichte tewerkstelling werd aangemerkt.
In beroep betwist appellant uitsluitend het standpunt dat hij niet verplicht tewerkgesteld was in de baksteen- en zwavelfabrieken, waar hij longklachten aan toeschrijft. De Raad overweegt dat voor aanspraken onder de Wubo vereist is dat de betrokkene invaliderend letsel heeft opgelopen door maatregelen van de Japanse bezetter die dwang en sancties omvatten met het doel personen te treffen of te misbruiken.
De Raad concludeert dat appellant niet verplicht tewerkgesteld was, omdat hij na het werk naar huis mocht en er geen permanente bewaking was. Het is niet gebleken dat de werkzaamheden vanuit bezettingsoogmerk werden opgelegd. Daarom kunnen de longklachten niet worden meegewogen bij de beoordeling van invaliditeit. Het beroep wordt ongegrond verklaard en er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard wegens het ontbreken van verplichte tewerkstelling in de zin van de Wubo.