ECLI:NL:CRVB:2012:BV7989
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.F. Bandringa
- E.J. Govaers
- Y.J. Klik
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstand wegens gezamenlijke huishouding en schending inlichtingenplicht
Appellante ontving bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Na een onderzoek naar haar woonsituatie en relatie met appellant concludeerde de Bestuurscommissie dat zij een gezamenlijke huishouding voerden, zonder dit te melden, waardoor bijstand onterecht werd verstrekt. De rechtbank verklaarde de beroepen ongegrond, maar de Raad stelde vast dat de rechtbank haar oordeel baseerde op een andere wettelijke grondslag dan de Bestuurscommissie.
De Raad oordeelde dat appellanten hun hoofdverblijf hadden in dezelfde woning en zorg droegen voor elkaar, wat voldoet aan de criteria van een gezamenlijke huishouding volgens artikel 3, derde lid, WWB. De verklaringen van appellanten en buurtbewoners ondersteunden dit. De vrijspraak in strafrechtelijke zin van uitkeringsfraude deed hieraan niet af.
De Raad verwierp ook het beroep dat het onderzoek onrechtmatig was vanwege schending van artikel 8 EVRM Pro, omdat het buurtonderzoek en huisbezoek een wettelijke grondslag hadden en proportioneel waren. De Bestuurscommissie was bevoegd de bijstand in te trekken en terug te vorderen. De Raad veroordeelde de Bestuurscommissie tot vergoeding van proceskosten aan appellanten.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand wegens gezamenlijke huishouding wordt bevestigd, met veroordeling van de Bestuurscommissie in proceskosten.