ECLI:NL:CRVB:2012:BV7842
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- A.B.J. van der Ham
- E.C.R. Schut
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens schending inlichtingenverplichting
Appellant ontving bijstand sinds april 2007. Na melding en observaties dat appellant werkzaam was bij twee bedrijven, startte de gemeente Amsterdam een onderzoek. Dit leidde tot het besluit van 15 oktober 2008 om de bijstand over de periode april 2007 tot september 2008 in te trekken en de kosten terug te vorderen wegens schending van de inlichtingenverplichting.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat de aanwezigheid tijdens reguliere werktijden op een werkplek de veronderstelling van verrichte arbeid rechtvaardigt, ongeacht of hiervoor loon werd ontvangen. Appellant voerde aan dat hij geen werkzaamheden verrichtte en dat oogoperaties hem belemmerden, maar kon dit niet aannemelijk maken met objectieve gegevens.
De Raad overwoog dat appellant bekend was met de werkzaamheden door eerdere eigendom van een van de bedrijven en dat het college terecht aannam dat hij arbeid verrichtte. Door het niet melden van deze werkzaamheden en inkomsten kon het recht op bijstand niet worden vastgesteld. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de intrekking en terugvordering van de bijstand bevestigd.