ECLI:NL:CRVB:2012:BV7298
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verlaging WW-uitkering wegens onvoldoende medewerking re-integratie
Appellante was werkzaam bij een werkgever en meldde zich ziek wegens rugklachten. Na herstel werd haar een WW-uitkering toegekend. Het UWV stelde dat appellante onvoldoende meewerkte aan haar re-integratie, omdat zij niet reageerde op aangeboden vacatures. Hierdoor werd haar WW-uitkering met 25% verlaagd gedurende vier maanden.
Appellante maakte bezwaar en ging in beroep tegen dit besluit. Zij stelde dat zij wel had gesolliciteerd, maar door medische redenen niet in staat was om trainingen te volgen die nodig waren voor de aangeboden functies. De rechtbank oordeelde echter dat appellante onvoldoende openstond voor werkhervatting en dat het UWV terecht een maatregel oplegde.
De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank. De Raad vond dat appellante haar verplichtingen niet voldoende was nagekomen en bevestigde de maatregel. Er was geen aanleiding om het beroep gegrond te verklaren of de maatregel te verminderen.
Uitkomst: De verlaging van de WW-uitkering met 25% voor vier maanden wordt bevestigd wegens onvoldoende medewerking aan re-integratie.