ECLI:NL:CRVB:2012:BV6362
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- E.J.M. Heijs
- W.H. Bel
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens schending inlichtingenverplichting en niet-hoofdverblijf op opgegeven adres
Appellant ontving bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) als alleenstaande. Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam stelde een onderzoek in naar aanleiding van een melding over onrechtmatige bewoning op het opgegeven uitkeringsadres van appellant. Dit onderzoek, inclusief buurtonderzoek en getuigenverklaringen, leidde tot het besluit de bijstand over bepaalde perioden in te trekken en de kosten terug te vorderen.
De rechtbank had het bezwaar van appellant en zijn ex-echtgenote tegen dit besluit deels gegrond verklaard, maar de intrekking van bijstand over de periode van 10 december 2002 tot en met 31 mei 2007 in stand gelaten. Appellant ging in hoger beroep tegen deze uitspraak.
De Raad oordeelde dat appellant in de betreffende periode niet zijn hoofdverblijf had op het opgegeven adres, mede gebaseerd op verklaringen van derden die consistent waren en ondersteund werden door buurtbewoners. Door het college niet te informeren over het feitelijke hoofdverblijf, had appellant zijn wettelijke inlichtingenverplichting geschonden. Dit rechtvaardigde de intrekking van de bijstand. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand wordt bevestigd omdat appellant niet zijn hoofdverblijf had op het opgegeven adres en zijn inlichtingenverplichting heeft geschonden.