ECLI:NL:CRVB:2012:BV3692
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WAO-uitkering zonder schending verbod reformatio in peius
Appellante maakte bezwaar tegen het besluit van het UWV om haar WAO-uitkering te herzien en uiteindelijk in te trekken. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarbij werd geoordeeld dat geen sprake was van een schending van het verbod op reformatio in peius en dat de vastgestelde arbeidsbeperkingen juist waren vastgesteld.
In hoger beroep betoogde appellante dat zij door het bezwaar in een nadeliger positie was gekomen en dat onvoldoende rekening was gehouden met haar psychische en fysieke beperkingen. Tevens stelde zij dat zij de voorgehouden functies vanwege het hoge handelingstempo niet kon vervullen.
De Raad oordeelde dat de intrekking per een toekomstige datum met inachtneming van de uitlooptermijn geen inbreuk maakt op het verbod van reformatio in peius. Uitgaande van de juistheid van de Functionele Mogelijkheden Lijst en de arbeidskundige rapportage zag de Raad geen reden het standpunt van het UWV dat appellante haar maatgevende arbeid kan verrichten, te verwerpen.
Het hoger beroep werd daarom verworpen en de aangevallen uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De intrekking van de WAO-uitkering per 27 januari 2010 wordt bevestigd zonder schending van het verbod op reformatio in peius.