ECLI:NL:CRVB:2012:BV3682
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling recht op WIA-uitkering bij minder dan 35% arbeidsongeschiktheid en oogproblematiek
Appellante heeft beroep ingesteld tegen het besluit van het UWV waarin werd vastgesteld dat zij geen recht heeft op een WIA-uitkering vanwege een arbeidsongeschiktheid van minder dan 35% per 7 december 2009. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarbij werd geoordeeld dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en de beperkingen van appellante niet waren overschat.
In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat haar lichamelijke beperkingen, waaronder oogproblematiek en concentratieproblemen, onvoldoende zijn erkend. Zij verzocht tevens om inschakeling van een deskundige. De Raad heeft echter het oordeel van de rechtbank onderschreven en voegt toe dat de oogproblematiek nauwelijks hinder oplevert bij normale leesafstand en dat de functiebeschrijvingen geen beperkingen op dit punt aangeven.
Verder is vastgesteld dat appellante rechts meer beperkt is dan links, maar dit vormt geen belemmering voor het verrichten van de voorgelegde functies. De Raad ziet geen aanleiding om het hoger beroep gegrond te verklaren en bevestigt het bestreden besluit. Er is geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit dat appellante geen recht heeft op een WIA-uitkering wordt bevestigd.