ECLI:NL:CRVB:2012:BV2483
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- E.J.M. Heijs
- E.J. Govaers
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens niet-wonen op opgegeven adres
Appellante ontving sinds 1992 bijstand en gaf op dat zij woonde met haar zoon op een bepaald adres. Naar aanleiding van klachten van buurtbewoners startte de gemeente een onderzoek, waaronder huisbezoeken en het raadplegen van registers. Uit het onderzoek bleek dat appellante en haar zoon niet hun hoofdverblijf hadden op het opgegeven adres.
Het College trok daarom de bijstand per 3 oktober 2008 in wegens het niet voldoen aan de inlichtingenplicht. De rechtbank vernietigde dit besluit omdat het College stukken te laat had ingediend, maar liet de rechtsgevolgen van het besluit in stand. Appellante ging in hoger beroep tegen deze rechtsgevolgen.
De Raad oordeelde dat het huisbezoek van 3 oktober 2008 rechtmatig was en dat de verklaringen van de buurman en buurvrouw, de pintransacties nabij het adres van appellantes ouders en het feit dat haar zoon geen bed had op het opgegeven adres, samen met de eigen verklaringen van appellante, voldoende bewijs vormden dat zij niet op het opgegeven adres woonde.
Dat appellante veel bij haar ouders verbleef om haar zieke vader te verzorgen, was volgens de Raad geen reden om het hoofdverblijf op het opgegeven adres te behouden. De Raad bevestigde daarom de intrekking van de bijstand en wees het hoger beroep af.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand wegens niet-wonen op het opgegeven adres wordt bevestigd.