ECLI:NL:CRVB:2012:BV1861
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging nabestaandenuitkering wegens gezamenlijke huishouding
Appellante ontving een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (Anw). De Sociale verzekeringsbank (Svb) beëindigde deze uitkering met ingang van 1 maart 2006, omdat zij vaststelde dat appellante vanaf 23 februari 2006 een gezamenlijke huishouding voerde met de heer Y., zonder dat sprake was van verzorging van een hulpbehoevende.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen deze beëindiging ongegrond. Appellante stelde in hoger beroep dat de datum op de checklist onjuist was en dat Y. pas vanaf 26 februari 2009 bij haar kwam wonen. Ook voerde zij aan dat onvoldoende onderzoek was gedaan naar haar woonsituatie en dat zij ten onrechte niet werd gehoord tijdens de bezwaarprocedure.
De Raad oordeelde dat de onderzoeksbevindingen, waaronder de door appellante ondertekende checklist en haar verklaringen in het rapport, voldoende feitelijke grondslag boden voor het standpunt van de Svb. De Raad verwierp het verweer over de verkeerde datum en stelde dat het horen van appellante niet verplicht was omdat zij niet binnen de gestelde termijn had verklaard gebruik te willen maken van haar recht op horen.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarmee de eerdere uitspraak en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De beëindiging van de nabestaandenuitkering wordt bevestigd wegens gezamenlijke huishouding vanaf 23 februari 2006.