ECLI:NL:CRVB:2012:BV1019

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
10 januari 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-4909 WWB
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:5 AwbArt. 4:6 AwbWet werk en bijstand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering herziening besluit intrekking bijstand wegens ontbreken nieuwe feiten

Appellant had bijstand toegekend gekregen met ingang van 25 september 2007. Bij besluit van 22 oktober 2008 werd deze bijstand ingetrokken omdat appellant inkomsten uit arbeid ontving die gelijk waren aan of hoger dan de bijstandsnorm. Appellant maakte geen bezwaar tegen dit besluit. Later verzocht appellant het dagelijks bestuur het besluit te herzien, maar dit verzoek werd afgewezen omdat er geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden waren.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze afwijzing ongegrond. In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep deze uitspraak. De Raad oordeelde dat de door appellant aangevoerde feiten, zoals een administratieve fout bij de werkgever en onjuiste berekening van inkomsten, niet als nieuw konden worden beschouwd omdat deze eerder kenbaar waren. Ook het feit dat appellant het besluit pas later ontving en geen bezwaar maakte, speelde geen rol.

De Raad concludeerde dat het dagelijks bestuur in redelijkheid tot zijn besluit kon komen en niet in strijd had gehandeld met wettelijke of algemene rechtsbeginselen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.

Uitspraak

10/4909 WWB
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 14 juli 2010, 10/355 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
het dagelijks bestuur van het samenwerkingsverband Aalsmeer-Uithoorn (hierna: dagelijks bestuur)
Datum uitspraak: 10 januari 2012
I. PROCESVERLOOP
Als gevolg van de inwerkingtreding van een gemeenschappelijke regeling oefent het dagelijks bestuur sinds 1 mei 2009 de taken en bevoegdheden in het kader van de Wet werk en bijstand (WWB) uit die voorheen werden uitgeoefend door het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Aalsmeer (hierna: College).
Namens appellant heeft mr. R. Moszkowicz hoger beroep ingesteld.
Bij brief van 27 oktober 2010 heeft mr. R. Moszkowicz medegedeeld zijn werkzaamheden als gemachtigde te beëindigen.
Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 november 2011. Appellant is verschenen, bijgestaan door
mr. A.C.R. Moolenaar, advocaat te Amstelveen. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door P.T.T. Verweij, werkzaam bij het samenwerkingsverband Aalsmeer-Uithoorn.
II. OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Bij besluit van 28 december 2007 heeft het College appellant bijstand op grond van de WWB toegekend met ingang van 25 september 2007.
1.2. Bij besluit van 22 oktober 2008 heeft het College de bijstand van appellant ingetrokken met ingang van
1 november 2007, op de grond dat appellant vanaf 1 november 2007 inkomsten uit arbeid ontvangt die gelijk zijn aan of hoger dan de voor hem geldende bijstandsnorm. Tegen dit besluit heeft appellant geen bezwaar gemaakt.
1.3. Bij brief van 12 juli 2009 heeft appellant het dagelijks bestuur verzocht het besluit van 22 oktober 2008 te herzien.
1.4. Bij besluit van 10 augustus 2009 heeft het dagelijks bestuur het verzoek van appellant afgewezen.
1.5. Bij besluit van 10 december 2009 heeft het dagelijks bestuur het door appellant gemaakte bezwaar tegen het besluit van 10 augustus 2009 ongegrond verklaard. Aan dit besluit heeft het dagelijks bestuur ten grondslag gelegd dat appellant bij zijn verzoek geen nieuwe feiten en omstandigheden heeft aangedragen die aanleiding geven het besluit van
22 oktober 2008 te herzien.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het door appellant ingestelde beroep tegen het besluit van
10 december 2009 ongegrond verklaard.
3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling
4.1. De Raad stelt vast dat het bij brief van 12 juli 2009 ingediende verzoek van appellant ertoe strekt dat het dagelijks bestuur terugkomt van het in rechte onaantastbaar geworden besluit van 22 oktober 2008.
4.2. In artikel 4:6, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat, indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beslissing een nieuwe aanvraag wordt gedaan, de aanvrager gehouden is nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden. Ingevolge het tweede lid kan het bestuursorgaan, wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 van Pro de Awb, de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende besluit. Artikel 4:6 van Pro de Awb is van overeenkomstige toepassing op een verzoek om terug te komen van een rechtens onaantastbaar besluit als het onderhavige.
4.3. Appellant heeft betoogd dat het dagelijks bestuur bij de berekening van zijn inkomsten uit arbeid is uitgegaan van onjuiste feiten. Ten onrechte heeft het dagelijks bestuur de inkomsten per maand en niet per vier weken berekend. Voorts is het dagelijks bestuur er ten onrechte van uitgegaan dat appellant twee betrekkingen had. Door een administratieve fout van zijn werkgever, TNT Post, is de arbeidsovereenkomst van appellant niet verlengd en heeft hij zijn werkzaamheden voor TNT Post vanaf 19 november 2007 drie weken via een uitzendbureau verricht. Daarna is zijn arbeidsovereenkomst met TNT Post weer hersteld. Als gevolg hiervan zijn de op de salarisstroken vermelde bedragen aan vakantiegeld niet juist. Het dagelijks bestuur heeft daar bij zijn besluitvorming geen rekening mee gehouden.
4.4. De Raad is evenals de rechtbank van oordeel dat het bij de in 4.3 genoemde feiten niet gaat om nieuw gebleken feiten of veranderende omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van Pro de Awb. Appellant heeft deze omstandigheden eerder naar voren kunnen brengen. De omstandigheid dat hij het besluit van 22 oktober 2008 pas in januari 2009 in zijn brievenbus heeft gevonden en hij geen bezwaar heeft gemaakt omdat hij in de veronderstelling verkeerde dat de bezwaartermijn was vestreken, speelt in het onderhavige geding geen rol. Voorts speelt in zaken zoals deze volgens vaste rechtspraak van de Raad (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 8 januari 2008, LJN BC2453) de gestelde (kennelijke) onjuistheid van het oorspronkelijke besluit op zichzelf geen beslissende rol.
4.5. Het in 4.1 tot en met 4.4. overwogene leidt tot de conclusie dat niet kan worden gezegd dat het dagelijks bestuur niet in redelijkheid tot zijn besluit van 10 december 2010 heeft kunnen komen, dan wel daarbij anderszins heeft gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of met een algemeen rechtsbeginsel.
4.6. Het hoger beroep slaagt niet en de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham in tegenwoordigheid van M.C. Nijholt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 januari 2012.
(get.) A.B.J. van der Ham.
(get.) M.C. Nijholt.
NK