ECLI:NL:CRVB:2012:BV0982
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijstandsaanvraag wegens schending inlichtingenverplichting en onvoldoende inzicht in werkzaamheden bakkerij
Appellante vroeg bijstand aan op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) als alleenstaande ouder. Uit onderzoek bleek dat zij tot april 2010 een bakkerij exploiteerde en daarna regelmatig aanwezig was in de bakkerij om administratieve en andere werkzaamheden te verrichten. Het College wees de aanvraag af vanwege het niet voldoen aan de inlichtingenverplichting, omdat appellante onvoldoende inzicht gaf in de omvang van haar werkzaamheden en het inkomen dat zij daarmee verdiende of kon verdienen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen dit besluit ongegrond. In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dit oordeel. De Raad stelde vast dat appellante op geld waardeerbare werkzaamheden verrichtte en dat haar verklaring over de bakkerij en haar aanwezigheid daarin doorslaggevend was. De Raad verwierp het argument dat de bakkerij niet meer bestond, omdat het ontbreken van inschrijving in het handelsregister onvoldoende bewijs daarvoor is.
De Raad oordeelde dat appellante onvoldoende duidelijkheid had verschaft over haar werkzaamheden en inkomen, wat essentieel is voor de beoordeling van het recht op bijstand. Door deze schending van de inlichtingenverplichting kon niet worden vastgesteld of zij bijstandsbehoevend was. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De bijstandsaanvraag van appellante wordt afgewezen wegens onvoldoende duidelijkheid over werkzaamheden en inkomen.