ECLI:NL:CRVB:2012:BV0814
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens gezamenlijke huishouding
Appellante ontving bijstand als alleenstaande ouder vanaf oktober 2008. Na een onderzoek met huisbezoek, observaties en verklaringen van buurtbewoners concludeerde het Dagelijks Bestuur dat appellanten een gezamenlijke huishouding voerden in de woning van appellante. Op grond hiervan werd de bijstand ingetrokken en teruggevorderd, mede van appellant.
Appellanten voerden in hoger beroep aan dat er geen gezamenlijke huishouding was, dat zij pas in 2010 gingen samenwonen, en dat zij onterecht geen raadsman mochten raadplegen voorafgaand aan verhoren. De Raad oordeelde dat de beschermende werking van artikel 6 EVRM Pro niet van toepassing is omdat het geen strafrechtelijke procedure betreft.
De Raad stelde vast dat de verklaringen tegenover de sociaal rechercheur, ondertekend door appellanten, betrouwbaar zijn. Ook het ontbreken van een tolk bij het verhoor van appellant werd niet als reden gezien om de verklaring buiten beschouwing te laten. Appellante had de plicht om de gezamenlijke huishouding te melden, wat zij niet deed.
Op grond van de WWB was het Dagelijks Bestuur bevoegd de bijstand in te trekken en de kosten terug te vorderen. De Raad zag geen aanleiding om de eerdere uitspraak van de rechtbank te wijzigen en bevestigde deze zonder toewijzing van proceskosten.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand wegens gezamenlijke huishouding worden bevestigd.