ECLI:NL:CRVB:2011:BV0125
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C. van Viegen
- J.F. Bandringa
- E.J. Govaers
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens gezamenlijke huishouding
Appellante ontving sinds 1992 bijstand als alleenstaande ouder. Na een melding dat zij samenwoonde met appellant, voerde de gemeente Breda een onderzoek uit, waarbij werd vastgesteld dat appellanten vanaf medio 1996 een gezamenlijke huishouding voerden in de woning van appellante. De Commissie Sociale Zekerheid trok de bijstand over de periode van 1 juli 1997 tot 31 augustus 2008 in en vorderde de bijstandskosten terug.
De rechtbank verklaarde het bezwaar van appellanten ongegrond. In hoger beroep bevestigt de Centrale Raad van Beroep dat appellanten hun hoofdverblijf vanaf 2 september 1997 in de woning van appellante hadden, mede gebaseerd op eensluidende verklaringen tijdens verhoren en het dossieronderzoek. De Raad wijst de stelling van appellanten dat sprake was van een LAT-relatie af, omdat deze niet strookt met de feitelijke situatie.
De Raad oordeelt dat de onderzoeksbevindingen een toereikende feitelijke grondslag vormen en dat de aanvankelijk afgelegde verklaringen van appellanten als juist mogen worden aangenomen. Het hoger beroep wordt verworpen en de intrekking van de bijstand en terugvordering blijven in stand.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand en terugvordering wegens gezamenlijke huishouding worden bevestigd.