ECLI:NL:CRVB:2011:BU9171
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.F. Bandringa
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens gezamenlijke huishouding en hoofdverblijf
Appellante ontving bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Naar aanleiding van een anonieme tip startte het College een onderzoek naar de rechtmatigheid van de bijstand, waarbij werd vastgesteld dat appellante en betrokkene vanaf 9 december 2008 een gezamenlijke huishouding voerden in de woning van appellante.
Het College trok de bijstand per 1 mei 2009 in en vorderde de bijstandskosten over de periode van 9 december 2008 tot en met 30 april 2009 terug. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen deze besluiten ongegrond. Appellante ging in hoger beroep tegen deze uitspraak.
De Raad stelde vast dat op grond van artikel 3 WWB Pro sprake is van een gezamenlijke huishouding indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zorg dragen voor elkaar. Omdat uit de relatie een kind is geboren, was de vraag of betrokkene zijn hoofdverblijf had in de woning van appellante.
De Raad vond de verklaringen van appellante, betrokkene en getuigen, alsmede de waarnemingen van sociaal rechercheurs, voldoende om te concluderen dat betrokkene zijn hoofdverblijf had in de woning van appellante gedurende de relevante periode. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de intrekking van de bijstand bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking van de bijstand bevestigd.