ECLI:NL:CRVB:2011:BU8754

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
15 december 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-1588 AW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 61b GemeentewetArt. 44, eerste lid, aanhef en onder d, Rechtspositiebesluit burgemeestersHoofdstuk 7 Algemene wet bestuursrechtArt. 2, derde lid, Besluit proceskosten bestuursrechtArt. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
Verwijzingen
9 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging eervol ontslag burgemeester wegens verstoorde verhouding met gemeenteraad

Appellant was burgemeester van een gemeente waar de drie wethouders het vertrouwen in hem opzegden. De Commissaris van de Koningin (CdK) stelde een onderzoek in en adviseerde de minister om het ontslag van appellant voor te dragen, wat leidde tot een koninklijk besluit tot eervol ontslag per 1 maart 2008.

Appellant maakte bezwaar tegen zijn ontslag, dat door de minister werd afgewezen. De rechtbank vernietigde het besluit wegens een bevoegdheidsgebrek, maar liet de rechtsgevolgen in stand omdat het bevoegdheidsgebrek was geheeld. De Centrale Raad van Beroep bevestigt deze conclusie en oordeelt dat de processuele onvolkomenheden niet ernstig genoeg zijn om het ontslag tegen te houden.

De Raad overweegt dat de verstoorde verhouding tussen appellant en de gemeenteraad terecht is vastgesteld, mede op basis van een motie van de gemeenteraad en het advies van de CdK. Het door appellant gestelde verband met integriteitsproblemen van wethouders is onvoldoende onderbouwd. De Raad ziet geen zwaarwegende gronden om af te zien van het ontslag en wijst het hoger beroep af.

Daarnaast oordeelt de Raad dat de CdK geen bemiddelingsplicht had en dat de gang van zaken rondom de stemming en het advies van de CdK correct waren. Vergoeding van proceskosten wordt niet toegewezen omdat geen bijzondere omstandigheden zijn aangetoond.

Uitkomst: Het eervol ontslag van de burgemeester wegens een verstoorde verhouding met de gemeenteraad wordt bevestigd.

Uitspraak

10/1588 AW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 1 februari 2010, 08/1194 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Kroon, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (hierna: Kroon)
Datum uitspraak: 15 december 2011
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
De Kroon heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 november 2011. Appellant is verschenen. De Kroon heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.J. Daalder, advocaat te ’s-Gravenhage, en drs. M. Hermus, werkzaam bij het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.
II. OVERWEGINGEN
1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.
1.1. Appellant was burgemeester van [gemeente] (hierna: gemeente). In een collegevergadering van 29 oktober 2007 hebben de drie wethouders van de gemeente het vertrouwen in appellant opgezegd. De Commissaris van de Koningin in de [provincie] (hierna: CdK) is van deze situatie in kennis gesteld en heeft hierover gesprekken gevoerd met appellant, de wethouders, de fractievoorzitters en de griffier van de gemeenteraad. Naar aanleiding van de daarop gevolgde vraag van de CdK aan de gemeenteraad of sprake was van een verstoorde verhouding tussen appellant en de gemeenteraad, heeft de gemeenteraad op 20 november 2007 een motie aangenomen, waarin is neergelegd dat sprake is van een blijvend verstoorde verhouding als bedoeld in artikel 61b van de Gemeentewet tussen de gemeenteraad en appellant. In een vergadering van 11 december 2007 heeft de gemeenteraad een motie aangenomen waarin de aanbeveling is gedaan dat appellant wordt ontslagen als burgemeester van de gemeente. Deze aanbeveling is door tussenkomst van de CdK op 20 december 2007 aan de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (hierna: minister) gezonden.
1.2. De CdK heeft een onderzoek ingesteld naar het door appellant aan de orde gestelde niet integer handelen van de drie wethouders. Mede op basis van de uitkomsten van dit onderzoek heeft de CdK de minister geadviseerd de aanbeveling van de gemeenteraad over te nemen en appellant bij de Kroon voor te dragen voor ontslag. De CdK heeft opgemerkt dat naar zijn oordeel, ook afgezien van de door de gemeenteraad gevolgde procedure, de situatie aanleiding geeft om te concluderen dat sprake is van een verstoorde verhouding tussen appellant en de gemeenteraad.
1.3. Appellant heeft zijn zienswijze gegeven op het voornemen om hem te ontslaan, waarna bij koninklijk besluit van 27 februari 2008 aan appellant met ingang van 1 maart 2008 eervol ontslag is verleend. Het bezwaar van appellant tegen zijn ontslag heeft de minister bij besluit van 6 oktober 2008 (hierna: bestreden besluit) ongegrond verklaard.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd, omdat de minister niet bevoegd was om te beslissen op het bezwaar van appellant. De rechtbank heeft tevens bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.
3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd overweegt de Raad het volgende.
3.1. De rechtbank heeft onderzocht of de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand kunnen blijven, omdat naar het oordeel van de rechtbank het bevoegdheidsgebrek is geheeld. Appellant betwist dat het bevoegdheidsgebrek is geheeld en acht reeds daarom het in stand laten van de rechtsgevolgen onjuist.
3.2. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen is het ontslag overeenkomstig de van toepassing zijnde regelgeving verleend bij koninklijk besluit en vloeit uit het bepaalde in hoofdstuk 7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voort dat op het door appellant ingediende bezwaar door de Kroon moet worden beslist. In dit geval heeft de minister per brief van 13 oktober 2009 aan H.M. de Koningin gevraagd om een machtiging tot het nemen van het bij die brief gevoegde bestreden besluit. Bij brief van 14 oktober 2009 heeft de directeur van het Kabinet der Koningin de minister meegedeeld dat H.M. de Koningin de gevraagde machtiging heeft verleend. De Raad heeft geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van deze mededeling en evenmin aan de geoorloofdheid van deze gang van zaken. Een dergelijke gang van zaken is niet ongebruikelijk en door de Raad in eerdere uitspraken geaccepteerd. De Raad ziet geen reden om op dit punt tot een ander standpunt te komen en is dan ook van oordeel dat de rechtbank terecht heeft geconcludeerd dat het bevoegdheidsgebrek is geheeld.
3.3. De vraag die nu beantwoord moet worden is of de rechtbank op inhoudelijke gronden terecht de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand heeft gelaten. Het gehandhaafde ontslag is in eerste instantie gebaseerd op artikel 61b van de Gemeentewet en artikel 44, eerste lid, aanhef en onder d, van het Rechtspositiebesluit burgemeesters (Rpb). Ingevolge deze artikelen kan op grond van een aanbeveling van de gemeenteraad aan de burgemeester ontslag worden verleend wegens een verstoorde verhouding tussen de burgemeester en de gemeenteraad. Artikel 61b, eerste lid, van de Gemeentewet bepaalt dat de burgemeester te allen tijde op voordracht van de minister kan worden ontslagen. Artikel 61b, tweede en volgende leden, geven nadere regels die gelden bij een aanbeveling van de gemeenteraad tot ontslag van de burgemeester. Op grond van artikel 61b, zevende lid, kan de minister in zijn voordracht slechts afwijken van de aanbeveling op gronden ontleend aan het advies van de CdK, dan wel op andere zwaarwegende gronden.
3.4. Gelet op de in 3.3 weergegeven voorschriften en bij het gegeven dat de Kroon de voordracht van de minister heeft gevolgd, moet de Raad beoordelen of de Kroon in het advies van de CdK, dan wel in andere zwaarwegende gronden aanleiding had behoren te vinden om af te zien van het ontslag. De Raad overweegt daarbij het volgende.
3.5. Appellant heeft gewezen op diverse processuele onvolkomenheden bij de totstandkoming van het primaire ontslagbesluit. Naar het oordeel van de Raad zijn deze mogelijke tekortkomingen niet van een dusdanig niveau dat de Kroon reeds daarin aanleiding had moeten vinden om van ontslag af te zien. Dat geldt ook voor een eventuele niet juiste wijze van stemmen. Er is inderdaad een schriftelijke stemming geweest, maar gelet op de zetelverdeling binnen de gemeenteraad, is eenvoudig te deduceren wie voor de aanbeveling hebben gestemd. Het is daarom volstrekt onaannemelijk dat het stemgedrag bij een stemming met handopsteken anders zou zijn uitgevallen. Van belang is in dit verband evenmin dat de aanbeveling tot ontslag van de burgemeester is aangenomen met de kleinst mogelijke meerderheid.
Verder kan niet worden geconcludeerd dat de CdK op een verkeerd moment of op een onjuiste wijze zijn rol in dit gebeuren heeft gespeeld. Voor het door appellant ingenomen standpunt dat de CdK een plicht heeft om te bemiddelen, is geen steun in de wettelijke regeling te vinden.
3.6. Met betrekking tot het door appellant gestelde verband tussen de integriteitskwesties en het ontslag overweegt de Raad dat ook de gemeenteraad een onderzoek heeft laten verrichten naar deze kwesties. Uit dat onderzoek is gebleken dat in één situatie sprake is van een terecht gemaakt verwijt aan een wethouder. Een conclusie die overigens niet afwijkt van de uitkomst van het door de CdK ingestelde onderzoek. Daarmee staat vast dat voor het op 20 november 2007 door appellant opgeroepen en publiekelijk aan de gemeenteraad voorgehouden beeld dat de verstoorde verhoudingen zijn terug te voeren op niet-integere gedragingen van de drie wethouders onvoldoende grond aanwezig was. Zoals de CdK in zijn advies aan de minister heeft geschreven, zijn de omstandigheden dat appellant zijn bedenkingen ten aanzien van de wethouders pas richting de gemeenteraad heeft geuit toen zijn eigen positie ter discussie is komen te staan en dat hij zich daarbij dermate negatief heeft uitgelaten over de moraliteit en de integriteit van de wethouders, de reden geweest dat appellant het vertrouwen van de gemeenteraad heeft verloren.
3.7. Gelet op voorgaande overwegingen is de Raad van oordeel dat de Kroon in redelijkheid geen zwaarwegende grond aanwezig heeft geacht om af te zien van ontslag.
4. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Bpb) waarin wordt bepaald dat van de bepaling van de hoogte van het te vergoeden bedrag kan worden afgeweken in bijzondere omstandigheden. Volgens vaste rechtspraak van de Raad is uitgangspunt dat van bijzondere omstandigheden als bedoeld in dit artikel slechts sprake kan zijn als appellant als gevolg van de werkwijze van de Kroon uitzonderlijk hoge kosten heeft moeten maken. Van een dergelijke situatie is naar het oordeel van de Raad geen sprake, nog daargelaten dat appellant in beroep niet heeft verzocht om toepassing van artikel 2, derde lid, van het Bpb.
5. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Awb inzake vergoeding van proceskosten in hoger beroep.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door K. Zeilemaker als voorzitter en M.C. Bruning en
G.F. Walgemoed als leden, in tegenwoordigheid van N.M. van Gorkum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 december 2011.
(get.) K. Zeilemaker.
(get.) N.M. van Gorkum.
HD