ECLI:NL:CRVB:2011:BU8341
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C. van Viegen
- J.F. Bandringa
- H.D. Stout
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens schending inlichtingenverplichting
Appellant ontving bijstand sinds september 2007. Naar aanleiding van een anonieme tip startte de gemeente een onderzoek waaruit bleek dat appellant werkzaamheden verrichtte bij een commercieel bedrijf zonder dit te melden aan het College, wat een schending van zijn inlichtingenverplichting inhoudt.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep voerde appellant aan dat zijn werkzaamheden hand- en spandiensten waren, niet continu en onbetaald, en dat het College had moeten berekenen in hoeverre hij recht had op aanvullende bijstand. Tevens stelde hij dat het bestedingspatroon van zijn gezin onder de bijstandsnorm was gedaald, wat een dringende reden tot kwijtschelding zou zijn.
De Raad oordeelde dat de werkzaamheden op geld waardeerbare activiteiten betroffen die appellant niet had gemeld. Uit het onderzoek en zijn eigen verklaring bleek dat hij gedurende de gehele periode werkzaamheden verrichtte. Appellant slaagde er niet in met objectieve gegevens aan te tonen dat hij recht had op bijstand als hij wel had gemeld. Het College was bevoegd tot intrekking en terugvordering en had redelijk gehandeld. De Raad zag geen dringende reden om van terugvordering af te zien en bevestigde de uitspraak van de rechtbank.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot intrekking en terugvordering van bijstand wordt bevestigd.