[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 26 augustus 2010, 09/819 (hierna: aangevallen uitspraak),
de Minister van Veiligheid en Justitie (hierna: minister)
Datum uitspraak: 10 november 2011
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 oktober 2011. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. B. Bijlsma, advocaat te Almere. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F.A.M. Bot, werkzaam bij het ministerie van Veiligheid en Justitie.
1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.
1.1. Appellant is werkzaam als medior penitentiair inrichtingswerker bij de [naam PI], locatie [naam lokatie] (hierna: PI). Bij de PI hebben de medewerkers op dagen waarop ten minste twee uren moet worden overgewerkt de mogelijkheid de (gemaximeerde) kosten van een avondmaaltijd te declareren. Bij het verstrekken van de vergoeding wordt rekening gehouden met de fiscale besparing van de gebruikelijke maaltijd.
1.2. Ingevolge artikel 2, derde lid, van het ten tijde in geding geldende Besluit maaltijdvergoeding bij overwerk (hierna: Besluit) moet de medewerker de gemaakte kosten kunnen aantonen. De medewerker die niet aantoonbaar een maaltijd heeft genuttigd en betaald, ontvangt een vast bedrag, dat is vastgesteld op € 2,27. Het bij de PI gebruikelijke declaratieformulier maaltijdvergoeding bij overwerk (hierna: declaratieformulier) bevat de toelichting dat het aantonen van gemaakte kosten geschiedt door middel van het overleggen van een bon.
1.3. In april en juni 2007 heeft het hoofd Financiële Administratie van het [naam afdeling] gemeld dat een aantal declaraties maaltijdvergoeding bij overwerk niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen. De directie van de PI heeft daarop het Bureau Integriteit en Veiligheid onderzoek laten doen naar mogelijke onregelmatigheden. Ook appellant is in dit onderzoek betrokken. Op 2 november 2007 heeft het Bureau Integriteit en Veiligheid onder meer over het declaratiegedrag van appellant gerapporteerd.
1.4. Naar aanleiding van dit rapport heeft de directie appellant bij brief van 21 januari 2008 uitgenodigd voor een gesprek over zijn declaraties van etensbonnen. Dit gesprek heeft plaatsgevonden op 28 januari 2008. Bij schrijven van 11 februari 2008 heeft appellant gereageerd op het verslag van het gesprek van 28 januari 2008. Bij brief van
18 februari 2008 heeft de directie aan appellant het voornemen kenbaar gemaakt hem een disciplinaire straf op te leggen vanwege het feit dat hij zich vermoedelijk heeft schuldig gemaakt aan ernstig plichtsverzuim. Appellant is in de gelegenheid gesteld een zienswijze in te dienen.
1.5. De minister heeft, onder aanmerking van de brief van appellant van 11 februari 2008 als zienswijze, bij besluit van 13 maart 2008, aangevuld bij brief van 8 juli 2008, op grond van artikel 81, eerste lid, onder a en onder h, van het Algemeen rijksambtenarenreglement (ARAR) appellant schriftelijk berispt en de boordeling van de bevordering van appellant naar de functionele schaal van de functie medior penitentiair inrichtingswerker (BBRA schaal 6) voor de duur van een jaar aangehouden tot 1 april 2009. De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat appellant in de periode van 12 januari 2007 tot 30 maart 2007 heeft gefraudeerd met maaltijddeclaraties voor overwerk door actief de data op de bonnen te veranderen.
1.6. Bij besluit van 14 april 2009 heeft de minister het bezwaar van appellant tegen het besluit van 13 maart 2008 ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het overhandigen door appellant aan zijn leidinggevende van bonnen met een ingevuld en ondertekend declaratieformulier moet worden begrepen als het indienen van een declaratie. Niet aannemelijk is geworden dat appellant de bonnen slechts heeft overgelegd ter controle van de daarop aangebrachte data. Voorts heeft de rechtbank vastgesteld dat appellant de data op de bonnen heeft gewijzigd, dat daarmee vaststaat dat hij de hem verweten gedragingen heeft verricht en dat de minister terecht heeft vastgesteld dat sprake is van plichtsverzuim. De rechtbank heeft de opgelegde straf, gelet op de aard en de ernst van de overtreding, niet onevenredig geacht. Ten slotte heeft de rechtbank geoordeeld dat geen sprake is van rechtsongelijkheid. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat de minister kan worden gevolgd in zijn toelichting dat alleen appellant en een collega zijn gestraft, omdat alleen zij de data op de bonnen hebben veranderd. In de andere gevallen is van bestraffing afgezien, omdat in die gevallen de fraude niet kon worden bewezen. De verklaring van appellant dat hij is gestraft omdat hij opmerkingen jegens zijn leidinggevende had gemaakt tijdens een spelletje tafeltennis heeft de rechtbank niet aannemelijk geacht.
3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad het volgende.
3.1. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellant door zijn onjuist declaratiegedrag plichtsverzuim heeft gepleegd zodat de minister bevoegd was hem een disciplinaire straf op te leggen. Eveneens is de Raad met de rechtbank van oordeel dat de opgelegde straf, gelet op de aard en de ernst van de overtreding niet is aan te merken als onevenredig. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank en maakt die tot de zijne. In aanvulling daarop merkt de Raad nog op dat appellant ook ter zitting van de Raad heeft bevestigd dat hij het declaratieformulier heeft ondertekend. Dat hij bij het indienen van het declaratieformulier mondeling een voorbehoud zou hebben gemaakt, is niet gebleken. Voorts is de Raad van oordeel dat de ter zitting gegeven toelichting op de praktische gang van zaken die zich voordoet wanneer medewerkers van de PI gezamenlijk overwerken en een declarabele maaltijd nuttigen, niet kan afdoen aan het in acht nemen van de ingevolge het Besluit geldende vereisten bij het declareren van een maaltijd. Niet is gebleken dat deze vereisten zouden leiden tot een voor de praktijk van het declareren onwerkbare situatie.
3.2. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
4. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.
De Centrale Raad van Beroep;
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en H.C.P. Venema en M. Greebe als leden, in tegenwoordigheid van S. Werensteijn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 november 2011.
(get.) H.A.A.G. Vermeulen.
S. Werensteijn.
De griffier is buiten staat te tekenen.