ECLI:NL:CRVB:2011:BU6571
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling Zvw-bijdrage en verdragsgerechtigdheid van AOW-pensioenontvanger woonachtig in België
Appellant, geboren in 1928 en woonachtig in België, ontvangt een AOW-pensioen en was verzekerd onder de Ziekenfondswet. Cvz heeft hem per 1 januari 2006 als verdragsgerechtigde aangemerkt op grond van artikel 69, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet (Zvw), met recht op zorg in België ten laste van Nederland, en vanaf april 2007 een bijdrage ingehouden op zijn pensioen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze inhouding ongegrond, maar vernietigde de vaststelling van de bijdrage per april 2007. Cvz stelde later dat de bijdrage pas vanaf november 2009 verschuldigd was. Appellant betwistte de bijdrage op grond van onvoldoende bestaansmiddelen en een beroep op het vrije verkeer van personen binnen de EU.
De Raad verwijst naar vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie van de EU, waaronder het Von Chamier-Glisczinski-arrest, en overweegt dat de nationale regeling geen ongerechtvaardigde beperking vormt van het vrije verkeer. De bijdrage is gerechtvaardigd omdat er recht op zorg in het woonland tegenover staat. Het verzoek om schadevergoeding wegens smaad en aantasting van het privéleven wordt afgewezen wegens gebrek aan onderbouwing.
De Raad bevestigt het besluit van Cvz om appellant als verdragsgerechtigde aan te merken en verklaart het beroep tegen de bijdrage vanaf november 2009 ongegrond. De vaststelling van de bijdrage per april 2007 is niet gehandhaafd, maar het belang van appellant blijft bestaan vanwege het schadevergoedingsverzoek.
Ten slotte wordt het betaalde griffierecht aan appellant vergoed.
Uitkomst: De bijdrage-inhouding op het AOW-pensioen vanaf november 2009 is rechtsgeldig en het beroep van appellant wordt ongegrond verklaard.