ECLI:NL:CRVB:2011:BU6224

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
23 november 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-4377 WVG
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 57 Algemene Arbeidsongeschiktheidswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging verstrekking bruikleenauto door UWV bevestigd

Appellant ontving in 1996 een bruikleenauto van GAK Nederland B.V., rechtsvoorganger van UWV, verstrekt op grond van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet. In 2007 besloot UWV de verstrekking van deze vervoersvoorziening te beëindigen, waarbij werd aangegeven dat de auto zou worden opgehaald. Appellant nam de auto over voor €1.500.

In 2009 verklaarde UWV het bezwaar van appellant gegrond, omdat volgens beleid bruikleenauto's uitgegeven vanaf 1995 na tien jaar worden ingenomen. De auto van appellant, uitgegeven in 1997, werd sinds 2001 alleen voor sociaal verkeer gebruikt en zou dus moeten worden ingenomen. Vanwege een fout bij GAK had de auto echter al in 1994 uitgegeven moeten worden, waardoor deze niet mocht worden ingenomen maar aan appellant geschonken. Het aankoopbedrag werd gerestitueerd, maar de bruikleenovereenkomst bleef beëindigd per 5 juni 2008, waardoor bijkomende kosten vanaf die datum voor appellant zijn.

De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond. In hoger beroep stelde appellant dat de beëindiging onterecht was omdat er geen gewijzigde omstandigheden waren en de auto niet in slechte staat verkeerde. De Raad oordeelde dat UWV handelde volgens een vaste, niet onredelijke gedragslijn en zelfs ten gunste van appellant afweek door de auto om niet over te dragen en een overgangstermijn van zes maanden te bieden. Er waren geen bijzondere omstandigheden die een verdere afwijking rechtvaardigden.

De Raad zag geen aanleiding voor een veroordeling in proceskosten en bevestigde de uitspraak van de rechtbank.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat UWV de verstrekking van de bruikleenauto per 5 juni 2008 terecht heeft beëindigd.

Uitspraak

10/4377 WVG
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant)
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 28 juli 2010, 09/8402 (hierna: aangevallen uitspraak)
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv)
Datum uitspraak: 23 november 2011
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. M.P. de Witte, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.
Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met het onderzoek in de zaak 11/5305 WMO, plaatsgevonden op 12 oktober 2011. Appellant is niet verschenen. Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M.L. Turnhout.
De Raad heeft de zaken na de sluiting van het onderzoek ter zitting gesplitst en zal daarin afzonderlijk uitspraak doen.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Bij besluit van 27 september 1996 heeft GAK Nederland B.V. (hierna: Gak), rechtsvoorganger van Uwv, appellant in het kader van artikel 57 van Pro de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet in aanmerking gebracht voor een bruikleenauto met aanpassingen. Bij brief van 3 juli 1997 heeft Gak appellant meegedeeld dat - in verband met gewijzigde regelgeving - de bruikleenauto nu voor de laatste keer door Gak is verstrekt en dat bij een herbeoordeling de gemeente of de WSW als bevoegde instantie wordt aangemerkt.
1.2.1. Bij besluit van 5 december 2007 heeft Uwv de aan appellant toegekende vervoersvoorziening in de vorm van een bruikleenauto beëindigd. Daarbij is vermeld dat Welzorg de auto zal komen ophalen.
1.2.2. Appellant heeft de auto overgenomen voor een bedrag van € 1.500,--.
1.3. Bij besluit van 2 november 2009 heeft Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 5 december 2007 gegrond verklaard. Hierbij is verwezen naar het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige R.J.C. Hogeveen van 1 oktober 2009, waarin is vermeld dat het beleid wordt en is gevoerd dat bruikleenauto’s die in 1994 zijn uitgegeven voor sociaal verkeer na tien jaar werden geschonken aan betrokkenen en dat bruikleenauto’s die vanaf 1995 zijn uitgegeven na tien jaar werden ingenomen. De auto van appellant is uitgegeven in 1997 en wordt sinds 2001 alleen nog gebruikt voor sociaal verkeer, zodat de auto zou moeten worden ingenomen. De auto van appellant had echter al in 1994 uitgegeven moeten worden, hetgeen door een fout van het Gak niet is gebeurd. Dit mag niet ten nadele van appellant komen, zodat de auto niet had mogen worden ingenomen, maar aan appellant had moeten worden geschonken. Het aankoopbedrag van € 1.500,-- wordt daarom gerestitueerd. Echter de bruikleenovereenkomst blijft beëindigd per 5 juni 2008, waardoor de bijkomende kosten vanaf die datum voor rekening van appellant komen.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 2 november 2009 ongegrond verklaard.
3. Namens appellant is in hoger beroep aangevoerd dat de verstrekking van de bruikleenauto niet beëindigd had mogen worden. Er was immers geen sprake van gewijzigde omstandigheden noch was de auto in een dermate staat dat op korte termijn hoge kosten verwacht zouden worden. Uwv heeft naar zijn mening ten onrechte geen belangenafweging gemaakt.
4. De Raad ziet geen aanleiding om te oordelen dat Uwv de verstrekking van de bruikleenauto niet had mogen beëindigen per 5 juni 2008. Uwv heeft gehandeld in overeenstemming met de voor beëindiging gehanteerde, door de Raad niet onredelijk geachte, vaste gedragslijn en is daarvan zelfs ten voordele van appellant afgeweken door de auto om niet over te dragen en een overgangstermijn van een half jaar te bieden. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan Uwv nog verder van de vaste gedragslijn had moeten afwijken.
5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male, in tegenwoordigheid van P.J.M. Crombach als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 november 2011.
(get.) R.M. van Male.
(get.) P.J.M. Crombach.
IJ