ECLI:NL:CRVB:2011:BU5122
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen weigering en berekening WIA-uitkering met Duitse verzekeringsjaren
Appellant, die sinds 2002 in Duitsland werkte, vroeg een WIA-uitkering aan na ziekte. Het Uwv weigerde aanvankelijk de uitkering omdat appellant niet in dienst was bij een Nederlandse werkgever op de eerste arbeidsongeschiktheidsdag. De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze weigering niet-ontvankelijk en wees het beroep tegen de hoogte van de uitkering af.
In hoger beroep stelde appellant dat het beroep ten onrechte niet-ontvankelijk was verklaard en dat de uitkering te laag was vastgesteld, mede door de wijze waarop Duitse verzekeringsjaren werden meegeteld. De Raad oordeelde dat appellant wel belang had bij het beroep omdat hij een schadevergoeding had gevorderd en dat het Uwv het standpunt van weigering had verlaten.
De Raad bevestigde dat de Duitse verzekeringsjaren, inclusief fictieve tijdvakken, terecht zijn betrokken bij de berekening van het Nederlandse verhoudingscijfer van 0,704. Het meetellen van deze tijdvakken vormt geen belemmering van het vrij verkeer van werknemers. Het verzoek om schadevergoeding wegens niet-tijdige toekenning en overschrijding van de redelijke termijn werd afgewezen. Het Uwv werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Het beroep tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar tegen de weigering van de WIA-uitkering is gegrond verklaard en het besluit vernietigd; de berekening van de IVA-uitkering is bevestigd.