ECLI:NL:CRVB:2011:BT8953

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
21 oktober 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-6995 WAJONG
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:6 Awb
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering terugkomen op Wajong-uitkeringsbesluit wegens ontbreken nieuwe feiten

Appellante heeft in 2008 een verzoek ingediend bij het UWV voor een Wajong-uitkering vanwege sinds haar jeugd bestaande klachten. Het UWV wees dit verzoek af omdat zij niet voldeed aan de voorwaarden. Appellante maakte hiertegen geen bezwaar, maar vroeg in 2009 alsnog om heroverweging. Het UWV weigerde terug te komen op het besluit omdat de overgelegde verklaringen van ouders en ex-partner geen nieuwe feiten of omstandigheden bevatten.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen deze weigering ongegrond. De rechtbank oordeelde dat de verklaringen niet als nieuw konden worden aangemerkt, mede omdat appellante deze al eerder had kunnen overleggen. Appellante stelde in hoger beroep dat zij door ziekte geen bezwaar had kunnen maken en de verklaringen daarom niet eerder had ingebracht.

De Centrale Raad van Beroep bevestigt het oordeel van de rechtbank. De Raad stelt vast dat de verklaringen geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden bevatten zoals bedoeld in artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. Het hoger beroep wordt verworpen en de aangevallen uitspraak blijft in stand. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de weigering van het UWV om terug te komen op het Wajong-besluit wordt bevestigd.

Uitspraak

10/6995 WAJONG
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 10 november 2010, 10/2485 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: het Uwv).
Datum uitspraak: 21 oktober 2011
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. R.C. van den Berg, advocaat te Waalwijk, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 september 2011, waar appellante met kennisgeving niet is verschenen. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. R.E.J.P.M. Rutten.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Appellante, geboren op 9 februari 1962, heeft het Uwv in 2008 verzocht om haar in aanmerking te brengen voor een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) vanwege sinds haar jeugd bestaande klachten.
1.2. Bij besluit van 6 november 2008 is door het Uwv aan appellante meegedeeld dat zij niet voldoet aan de voorwaarden om in aanmerking gebracht te kunnen worden voor een uitkering ingevolge de Wajong. Tegen dit besluit heeft appellante geen bezwaar gemaakt. Dit besluit staat in rechte vast.
2.1. Bij brief van 16 juli 2009 heeft appellante het Uwv verzocht om terug te komen van het besluit van 6 november 2008.
2.2. Bij besluit van 27 augustus 2009 heeft het Uwv geweigerd terug te komen van het besluit van 6 november 2008 onder de overweging dat uit de door appellante bij het verzoek overgelegde verklaringen van de ouders en ex-man van appellante, niet is gebleken van nieuwe feiten of omstandigheden op grond waarvan dat besluit als onjuist is aan te merken.
2.3. Bij besluit (bestreden besluit) van 7 december 2009 heeft het Uwv deze weigering gehandhaafd en het bezwaar van appellante ongegrond verklaard. Bezwaarverzekeringsarts J.P.M. Joosten ziet op grond van de hoorzitting en dossierstudie geen aanleiding om af te wijken van de visie van de primaire verzekeringsarts. In de huidige procedure zijn geen nieuwe medische gegevens ingebracht welke, waren zij eerder bekend, een ander licht werpen op de eerder genomen beslissing.
3. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank onder andere het volgende overwogen. Het Uwv heeft naar aanleiding van het verzoek van appellante beoordeeld of er in medisch opzicht reden is om terug te komen van het besluit van 6 november 2008. Appellante heeft haar verzoek onderbouwd met verklaringen van haar ouders, haar ex-partner en haar ex-schoonzus. Nog los van het gegeven dat de verklaring van de ex-schoonzus door de rechtbank niet in haar beoordeling kan worden meegenomen aangezien dit stuk pas in beroep is ingebracht, is de rechtbank van oordeel dat appellante de verklaringen reeds naar voren had kunnen brengen in het kader van een bezwaarprocedure tegen het besluit van 6 november 2008. Gesteld noch gebleken is dat appellante daartoe niet in staat zou zijn geweest. Dit brengt de rechtbank tot het oordeel dat de stukken die appellante heeft ingebracht, geen informatie bevatten die kunnen worden aangemerkt als nieuwe feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het Uwv heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat van de vereiste nieuwe feiten of omstandigheden niet is gebleken.
4. Appellante kan zich niet verenigen met de aangevallen uitspraak en heeft hoger beroep ingesteld. Vanwege haar ziekte en een terugval heeft zij destijds geen bezwaar kunnen maken. Omdat appellante niet had verwacht dat haar eerste aanvraag zou worden afgewezen heeft zij de verklaringen niet eerder ingebracht.
5.1. De Raad oordeelt als volgt.
5.2. Het geschil is toegespitst op de vraag of er voor het Uwv in het kader van artikel 4:6, van de Awb, aanleiding bestond om de weigering van de Wajong-uitkering opnieuw te bezien.
5.3. De Raad is van oordeel dat de rechtbank de beroepsgronden afdoende heeft besproken en genoegzaam heeft gemotiveerd waarom deze niet slagen. De Raad onderschrijft dit oordeel van de rechtbank en de overwegingen die daaraan ten grondslag hebben gelegen en verwijst daarnaar. Dit brengt de Raad eveneens tot het oordeel dat de verklaringen die door appellante zijn overgelegd niet kunnen worden aangemerkt als nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6, van de Awb.
5.4. De rechtbank heeft het beroep van appellante terecht ongegrond verklaard. Het hoger beroep slaagt niet zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
6. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van K.E. Haan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 oktober 2011.
(get.) I.M.J. Hilhorst-Hagen.
(get.) K.E. Haan.