ECLI:NL:CRVB:2011:BT8668
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- B.M. van Dun
- B.J. van der Net
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep UWV tegen weigering WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Betrokkene diende een aanvraag in voor een WAO-uitkering met ingang van 16 oktober 1991. Het UWV weigerde deze uitkering omdat de arbeidsongeschiktheid minder dan 15% werd geacht. De rechtbank vernietigde dit besluit wegens ondeugdelijke motivering en stelde dat twijfel over het psychisch ziektebeeld in het voordeel van betrokkene moest worden uitgelegd. Tevens werd de aanvang van de redelijke termijn voor de beoordeling van de schadevergoeding onjuist vastgesteld.
In hoger beroep oordeelt de Centrale Raad van Beroep anders. Uit medisch onderzoek blijkt geen aanwijzing voor een ernstige psychiatrische stoornis in 1991; de diagnose schizofrenie werd pas na 2001 gesteld. De Raad acht de vaststelling van minder dan 15% arbeidsongeschiktheid terecht en bevestigt de weigering van de WAO-uitkering.
Verder stelt de Raad dat de redelijke termijn aanvangt bij ontvangst van het bezwaarschrift van 20 juli 2004 en niet eerder. De overschrijding van de redelijke termijn leidt tot een schadevergoeding van €3.500,-- waarvan reeds €1.560,-- is betaald, zodat nog €1.940,-- moet worden voldaan. De procedurekosten in hoger beroep worden niet toegewezen.
Uitkomst: Het UWV heeft terecht de WAO-uitkering geweigerd en moet een aanvullende schadevergoeding van €1.940,-- betalen wegens overschrijding van de redelijke termijn.