ECLI:NL:CRVB:2011:BT7628
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- H.J. de Mooij
- M. Hillen
- Rechtspraak.nl
Beoordeling adequaatheid en toekenning huishoudelijke verzorging onder Wmo na AWBZ-indicatie
Appellant, bekend met het post-poliosyndroom en afhankelijk van rolstoel en incontinent, ontving huishoudelijke verzorging op grond van de AWBZ. Na een aanvraag onder de Wmo werd hem een lagere klasse huishoudelijke verzorging toegekend. Appellant stelde dat het medisch onderzoek onzorgvuldig was en dat de door zijn verzorgster geleverde extra uren zorg als particuliere hulp meegewogen hadden moeten worden.
De Raad overwoog dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd, inclusief huisbezoek en beoordeling door arts-adviseur Visser, die ook contact had met de huisarts. Er was geen afspraak voor onderzoek door een andere arts en het horen van de verzorgster was niet noodzakelijk. De Raad vond geen aanwijzingen dat de gezondheidstoestand van appellant zodanig was verslechterd dat de toegekende voorziening ontoereikend was.
Verder oordeelde de Raad dat het College terecht bij de beoordeling rekening hield met de eerdere AWBZ-indicatie en dat de afwijking in toekenning onder de Wmo voldoende was gemotiveerd. Het verzoek om schadevergoeding en proceskosten werd afgewezen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de toekenning van huishoudelijke verzorging onder de Wmo bevestigd.