ECLI:NL:CRVB:2011:BT7465
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging recht op ziekengeld wegens onvoldoende medische grondslag
Appellant was werkzaam als lasser en meldde zich ziek met spanningsklachten. Het UWV kende hem een Ziektewetuitkering toe, maar beëindigde deze per 3 maart 2009 wegens het ontbreken van ongeschiktheid tot arbeid. Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, maar de rechtbank verklaarde het beroep ongegrond vanwege onvoldoende medische aanwijzingen voor arbeidsongeschiktheid.
In hoger beroep voerde appellant aan dat het UWV het plan van aanpak niet had gevolgd en dat de rechtbank onvoldoende rekening had gehouden met de aard van zijn werkzaamheden en klachten. De Raad overwoog dat het plan van aanpak niet inhield dat het recht op ziekengeld zou worden verlengd tot afronding van het neurologisch onderzoek en dat de medische beoordeling door artsen en een bezwaarverzekeringsarts zorgvuldig was uitgevoerd.
De Raad stelde vast dat alle klachten van appellant waren betrokken bij de beoordeling en dat er geen nieuwe medische gegevens waren die het oordeel konden ondermijnen. Daarom werd de aangevallen uitspraak bevestigd en het beroep ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van appellant wordt ongegrond verklaard en het besluit tot beëindiging van het recht op ziekengeld wordt bevestigd.