ECLI:NL:CRVB:2011:BT7359
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van maandelijkse aflossingscapaciteit bij terugvordering WW-uitkering
Appellante kreeg een WW-uitkering toegekend die later werd herzien, waarna het UWV een bedrag van ruim €9.188,89 terugvorderde. Appellante stelde niet in staat te zijn het bedrag ineens te betalen, waarna het UWV een maandelijkse aflossingscapaciteit van €22,67 vaststelde. Appellante maakte bezwaar tegen deze aflossingscapaciteit, maar dit werd ongegrond verklaard.
In hoger beroep voerde appellante aan dat de schuld deels was ontstaan door fouten van het UWV en haar advocaat, en dat zij recht had op een aanvullende uitkering die zij niet had ontvangen. De Raad overwoog dat de terugvordering van bruto bedragen rechtens is toegestaan indien het fiscale tijdvak is afgesloten, en dat het UWV bevoegd was het bruto bedrag terug te vorderen.
Verder wees de Raad erop dat appellante na drie jaar in aanmerking kan komen voor kwijtschelding van de schuld mits zij aan haar aflossingsverplichtingen heeft voldaan. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De maandelijkse aflossingscapaciteit van €22,67 voor de terugvordering van de WW-uitkering wordt bevestigd.