ECLI:NL:CRVB:2011:BT7331
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing derde verzoek voorlopige voorziening tegen beëindiging persoonsgebonden budget wegens verblijf in het buitenland
Verzoekster, gehandicapt en woonachtig in Zwitserland, ontving een persoonsgebonden budget (pgb) op grond van de AWBZ. Het Zorgkantoor beëindigde het pgb per 1 juni 2011 omdat verzoekster sinds 9 augustus 2010 geen woonadres meer in Nederland heeft en daardoor niet tot de kring van verzekerden van de AWBZ behoort.
De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond en handhaafde het besluit. Verzoekster stelde hoger beroep in en verzocht om een voorlopige voorziening. Eerdere verzoeken werden afgewezen omdat geen nieuwe feiten of omstandigheden waren aangevoerd die toewijzing konden rechtvaardigen.
Bij dit derde verzoek voerde verzoekster opnieuw medische omstandigheden aan, maar de voorzieningenrechter oordeelde dat deze geen nieuwe feiten bevatten die een voortzetting van het pgb rechtvaardigen. Ook het beroep op het ontbreken van advies van het CVZ en op een eerdere uitspraak over artikel 8 EVRM Pro werden niet als relevante nieuwe omstandigheden gezien.
De voorzieningenrechter concludeerde dat verzoekster niet meer in Nederland woont en niet verzekerd is op grond van de AWBZ, waardoor het pgb terecht is beëindigd. Het verzoek om voorlopige voorziening werd afgewezen.
Uitkomst: Het derde verzoek om voorlopige voorziening tegen de beëindiging van het persoonsgebonden budget wordt afgewezen.