ECLI:NL:CRVB:2011:BT6994
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering Wajong-uitkering wegens voldoende verdiencapaciteit
Appellante had bezwaar gemaakt tegen het besluit van het UWV om haar geen Wajong-uitkering toe te kennen per 31 juli 2006 en per 17 februari 2009. De rechtbank Utrecht verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat appellante met de voorgehouden functies in staat was ten minste het minimumloon te verdienen, waardoor geen sprake was van arbeidsongeschiktheid in de zin van de Wajong.
In hoger beroep voerde appellante aan dat haar arbeidsbeperkingen ernstiger waren dan ingeschat en dat de voorgehouden functies ongeschikt waren gezien haar belastbaarheid. Tevens stelde zij dat de uitleg van artikel 19 Wajong Pro door het UWV onjuist was en in strijd met het gelijkheidsbeginsel.
De Centrale Raad van Beroep onderschreef de motivering van de rechtbank en verwierp de bezwaren van appellante. De Raad bevestigde dat appellante aan het einde van de wachttijd niet ongeschikt was voor haar arbeid en dat de Functionele Mogelijkhedenlijst een juist beeld gaf van haar beperkingen. Ook oordeelde de Raad dat er geen sprake was van ongelijke behandeling volgens het IVBPR.
De Raad zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling en bevestigde de aangevallen uitspraak.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de Wajong-uitkering omdat appellante niet ongeschikt was voor haar arbeid en ten minste het minimumloon kon verdienen.