ECLI:NL:CRVB:2011:BT6982

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
7 oktober 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-6067 WAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Verwijzingen
2 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag hervatting WAO-uitkering na verkorte wachttijd wegens onvoldoende medische grondslag

Appellant had een WAO-uitkering die per 7 augustus 2006 werd ingetrokken. Na een melding van verslechterde gezondheid op 14 augustus 2009, vroeg appellant om hervatting van de WAO-uitkering met een verkorte wachttijd van vier weken. Het UWV wees deze aanvraag op 4 september 2009 af na medisch onderzoek, omdat geen toegenomen beperkingen waren vastgesteld ten opzichte van de eerdere beoordeling.

Appellant stelde in hoger beroep dat zijn beperkingen waren toegenomen en verzocht om benoeming van een onafhankelijk deskundige. Ter onderbouwing overhandigde hij een brief van een internist waarin de ziekte van Pierre Marie-Bamberger werd bevestigd. Het UWV stelde dat deze brief geen aanleiding gaf tot wijziging van de eerdere beoordeling.

De Raad overwoog dat de rechtbank de aangevoerde gronden afdoende en gemotiveerd had besproken en onderschreef deze. De Raad zag geen nieuw feit dat onvoldoende was onderzocht en vond geen reden voor benoeming van een onafhankelijk deskundige. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.

Uitkomst: De aanvraag tot hervatting van de WAO-uitkering na een verkorte wachttijd van vier weken wordt afgewezen wegens onvoldoende medische grondslag.

Uitspraak

10/6067 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 13 oktober 2010, 09/8671 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 7 oktober 2011
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. H.M.L. Brands, advocaat te Leiden, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 augustus 2011. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. J.M. Stevers, kantoorgenoot van mr. Brands. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. K.M. Schuyt.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Het Uwv heeft de aan appellant toegekende WAO-uitkering met ingang van 7 augustus 2006 ingetrokken. Bij uitspraak van 29 juli 2009, LJN BJ4291, heeft de Raad deze intrekking in stand gelaten.
1.2. Op 14 augustus 2009 heeft appellant een melding van verslechterde gezondheid gedaan.
1.3. Na medisch onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 4 september 2009 deze aanvraag om hervatting van de WAO-uitkering na een verkorte wachttijd van 4 weken afgewezen, aangezien niet is gebleken van toegenomen beperkingen ten opzichte van de beoordeling per 7 augustus 2006.
1.4. Bij besluit op bezwaar van 24 november 2009 heeft het Uwv het besluit van 4 september 2009 gehandhaafd.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant gericht tegen het besluit van 24 november 2009 ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank - kort samengevat - overwogen geen aanleiding te zien het medische onderzoek door de verzekeringsartsen onzorgvuldig te achten en evenmin aanknopingspunten te zien om aan te nemen dat het medische oordeel niet juist zou zijn.
Hetgeen door appellant nog is aangevoerd met betrekking tot de brief van de internist J.J. Gerritsen van 30 juni 2009 en de brief van zijn huisarts van 10 maart 2010 heeft de rechtbank evenmin aanleiding gegeven om te twijfelen aan de medische grondslag van het besluit van 24 november 2009. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv, aangezien er geen sprake is van toegenomen arbeidsongeschiktheid, terecht geweigerd appellant met inachtneming van een wachttijd van vier weken een WAO-uitkering toe te kennen.
3.1. In hoger beroep heeft appellant herhaald dat zijn beperkingen zijn toegenomen. Tevens heeft hij de Raad verzocht een onafhankelijk deskundige te benoemen. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft hij een brief van 22 september 2010 van de internist J.J. Gerritsen overgelegd. Daarin legt de internist, die op 17 maart 2006 in het kader van de vorige beoordeling heeft gerapporteerd aan de verzekeringsarts, nogmaals uit dat appellant bekend is met de ziekte van Pierre Marie-Bamberger of wel hypertrofische osteo-arthropathie met trommelstokvingers en trommelstoktenen zonder aanwijsbare (kwaadaardige of aangeboren) oorzaak.
3.2. Het Uwv heeft, bij monde van de bezwaarverzekeringsarts in zijn reactie van 17 augustus 2011, aangegeven, dat de brief van de internist een geruststelling voor appellant bevat en dat er zich buiten de waarneembare verschijnselen en beperkingen, geen verborgen ziekte en beperkingen voordoen. Wijziging van de schatting of dateringen zijn op basis van deze brief dan ook niet aan de orde.
4.1. De Raad overweegt als volgt.
4.2. Naar het oordeel van de Raad heeft de rechtbank de gronden die in beroep zijn ingediend en in hoger beroep zijn herhaald afdoende besproken en genoegzaam gemotiveerd waarom die gronden niet slagen. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank volledig. Hetgeen in hoger beroep is aangevoerd leidt de Raad niet tot een ander oordeel. De Raad schaart zich achter de reactie van de bezwaarverzekeringsarts van 17 augustus 2011 en maakt deze tot de zijne. In aanmerking nemend dat in de brief van 17 maart 2006 van de internist aan de verzekeringsarts al sprake was van een vitamine D-deficiëntie, die door de verzekeringsarts destijds al in zijn beoordeling is betrokken, kan de Raad appellant niet volgen in zijn stelling dat hier sprake is van een nieuw feit dat onvoldoende is onderzocht. De Raad ziet dan ook geen aanleiding tot het benoemen van een onafhankelijk deskundige.
4.3. Het hoger beroep treft geen doel.
5. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van H.L. Schoor als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 oktober 2011.
(get.) I.M.J. Hilhorst-Hagen.
(get.) H.L. Schoor.