ECLI:NL:CRVB:2011:BT6625
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot herziening besluit beëindiging WAO-uitkering wegens ontbreken nieuwe feiten
Appellante verzocht het UWV om terug te komen van het besluit van 16 april 2002, waarbij haar WAO-uitkering werd beëindigd wegens minder dan 15% arbeidsongeschiktheid vanaf 25 november 2001. Zij stelde zich op het standpunt dat zij op die datum wel degelijk arbeidsongeschikt was, onderbouwd met een rapport van psychiater A.R. Hertroijs uit 2009.
Het UWV en de rechtbank verklaarden het bezwaar en beroep ongegrond, omdat er geen nieuwe feiten of omstandigheden waren die het eerdere besluit onjuist maakten. De verzekeringsarts concludeerde dat er op de relevante datum geen sprake was van een ernstige depressie, en dat appellante in staat was tot lichte huishoudelijke werkzaamheden en sociale contacten.
De Raad overweegt dat een verzoek tot herziening op grond van artikel 4:6 Awb Pro vereist dat nieuwe feiten of veranderde omstandigheden worden aangevoerd. Het rapport van Hertroijs betreft geen nieuw feit, maar een herbeoordeling van reeds bekende gegevens. Daarom was het UWV bevoegd het verzoek af te wijzen en heeft de Raad geen aanleiding om dit oordeel te wijzigen.
De Raad bevestigt de eerdere uitspraak en ziet geen reden voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het verzoek tot herziening van het besluit tot beëindiging van de WAO-uitkering wordt afgewezen wegens het ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden.