ECLI:NL:CRVB:2011:BT6223

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
28 september 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11-1096 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering van een WAO-uitkering na zorgvuldig verzekeringsgeneeskundig onderzoek

In deze zaak gaat het om het hoger beroep van appellante tegen de uitspraak van de rechtbank Breda, waarin de weigering van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) om een WAO-uitkering toe te kennen, werd bevestigd. De Centrale Raad van Beroep deed uitspraak op 28 september 2011. Appellante had eerder een uitkering aangevraagd, maar het Uwv had vastgesteld dat haar arbeidsongeschiktheid minder dan 15% was. Na een herkeuring door het Uwv, waarbij geen toename van beperkingen werd vastgesteld, bleef de weigering van de uitkering in stand. Appellante voerde aan dat er wel degelijk sprake was van toegenomen beperkingen door vermoeidheidsklachten, maar de Raad oordeelde dat het onderzoek door bezwaarverzekeringsarts Greveling zorgvuldig was uitgevoerd en dat er geen objectieve aanwijzingen waren voor een toename van de beperkingen. De Raad bevestigde de eerdere uitspraak van de rechtbank en oordeelde dat het Uwv voldoende gemotiveerd had waarom er geen relevante toename van beperkingen was. De Raad concludeerde dat het hoger beroep van appellante niet slaagde en dat de aangevallen uitspraak diende te worden bevestigd. Er waren geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.

Uitspraak

11/1096 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 7 januari 2011, 10/3471 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 28 september 2011
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante is hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 augustus 2011. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. F.I. Piternella, advocaat te Dongen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.P.F. Oosterbos.
II. OVERWEGINGEN
1. Bij besluit van 3 november 2003 is geweigerd appellante met ingang van 31 oktober 2003 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen, omdat de mate van haar arbeidsongeschiktheid minder is dan 15%. Deze weigering is met de uitspraak van de Raad van 28 maart 2007, LJN BA2008, in rechte onaantastbaar geworden.
2.1. Namens appellante is bij brief van 18 april 2007 het Uwv verzocht om een herkeuring van appellante. Bij besluit van 8 februari 2008 heeft het Uwv, beslissend op bezwaar, gehandhaafd zijn besluit van 6 september 2007 tot weigering om appellante in aanmerking te brengen voor een WAO-uitkering. Daarbij heeft het Uwv overwogen dat uit het rapport van bezwaarverzekeringsarts L. Greveling van 5 februari 2008 naar voren komt dat er geen aanwijzingen zijn dat er per enig moment bij appellante sprake is van toegenomen beperkingen als gevolg van vermoeidheidsklachten in verband met de al bekende slaapproblemen en restless legs.
2.2. Bij uitspraak van 12 maart 2009, 08/1386, heeft de rechtbank Breda het beroep van appellante tegen het besluit van 8 februari 2008 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geconcludeerd dat het Uwv terecht heeft gesteld dat appellante niet toegenomen arbeidsongeschikt is in de zin van artikel 43a, eerste lid, aanhef en onder b, van de WAO.
2.3. Bij uitspraak van 26 februari 2010, LJN BL6123 heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank Breda van 12 maart 2009 vernietigd, het beroep van appellante tegen het besluit van 8 februari 2008 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat het Uwv een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van die uitspraak. Naar het oordeel van de Raad heeft Uwv onvoldoende draagkrachtig gemotiveerd waarom geen sprake is van een relevante toename van beperkingen op basis van vermoeidheidsklachten. De Raad heeft daartoe overwogen dat bezwaarverzekeringsarts Greveling in haar rapport van 31 december 2009 er ten onrechte aan voorbij is gegaan dat slaapgeneeskundige K.E. Schreuder in zijn brief van 9 januari 2009 aangeeft dat bij appellante sprake is van een “verergering van de nachtelijke doorslaapproblematiek”.
De Raad heeft er verder op gewezen dat Schreuder ook stelt dat de bij appellante bestaande ziektebeelden alle hun invloed hebben op het verrichten van werkzaamheden, waarbij hij expliciet onder meer noemt “problemen met verdeelde aandacht tijdens luisteren, lezen en handelen waarbij werkzaamheden met verhoogd afbreukrisico dienen te worden vermeden”. De Raad heeft vervolgens vastgesteld dat in de Functionele Mogelijkheden Lijst van 8 oktober 2003 ten aanzien van het verdelen van aandacht geen beperking is aangenomen. Gelet op het standpunt van Schreuder behoeft de conclusie van Greveling dat geen sprake is van toegenomen beperkingen ten minste nadere motivering. Datzelfde geldt naar het oordeel van de Raad ook ten aanzien van de werktijden.
3. Na verzekeringsgeneeskundig onderzoek door bezwaarverzekeringsarts Greveling, waarvan de resultaten zijn neergelegd in een rapport van 27 juli 2010, heeft het Uwv bij besluit van 4 augustus 2010 (hierna: bestreden besluit) het bezwaar van appellante opnieuw ongegrond verklaard.
4. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank is het onderzoek voldoende zorgvuldig geweest. Het Uwv heeft afdoende gemotiveerd waarom een eigen medisch onderzoek van appellante door bezwaarverzekeringsarts Greveling in 2010 geen toegevoegde waarde had. De rechtbank ziet in het rapport van 27 juli 2010 van Greveling een genoegzame en draagkrachtige onderbouwing van het door het Uwv ingenomen standpunt dat van een toename van arbeidsongeschiktheid geen sprake was.
5. Appellante heeft in hoger beroep herhaald dat de bezwaarverzekeringsarts ten onrechte geen eigen medisch onderzoek heeft verricht en dat het Uwv gelet op de brief van 9 januari 2009 van slaapgeneeskundige Schreuder ten onrechte geen toegenomen beperkingen aanwezig acht ten gevolge van haar vermoeidheidsklachten .
6. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
6.1. Voor toekenning van een WAO-uitkering met toepassing van artikel 43a, eerste lid, aanhef en onder b, van de WAO is noodzakelijk dat sprake is van een toename van de medische beperkingen, resulterend in de toename van de arbeidsbeperkingen.
6.2. Tussen partijen is niet in geschil dat appellante vermoeidheidsklachten had die op medische gronden naar objectieve maatstaven gemeten met ingang van 31 oktober 2003 aanleiding gaven tot beperkingen om arbeid te verrichten en dat ook bij de thans in geding zijnde beoordeling deze beperkingen nog bestaan. Partijen verschillen van opvatting over het antwoord op de vraag of op medische gronden naar objectieve maatstaven gemeten de beperkingen zijn toegenomen.
6.3. In haar rapport van 27 juli 2010 heeft bezwaarverzekeringsarts Greveling geconcludeerd dat er geen aanleiding is appellante ten opzichte van de belastbaarheid in 2003 toegenomen beperkt te achten. Zij heeft erop gewezen dat appellante mogelijk een toename van klachten van restless legs heeft gemeld, maar dat een objectieve onderbouwing voor dit gegeven in de brieven van slaapgeneeskundige Schreuder ontbreekt, zodat er geen reden is uit te gaan van een toename van de restless-legs-problematiek waardoor er een meer verstoorde nachtrust is dan voorheen. Ten aanzien van de aangegeven problemen met de verdeelde aandacht heeft naar haar oordeel te gelden dat dit een subjectief gegeven van appellante zelf is, dat niet is geobjectiveerd door middel van bijvoorbeeld een neuropsychologisch onderzoek. Daarbij gaat het bij luisteren en lezen naar haar mening niet om verdeelde aandacht, maar om vasthouden van de aandacht. In 2003 heeft de primaire verzekeringsarts vermeld dat appellante beperkt is voor werkzaamheden waarbij een goede concentratie vereist is. Dit is na het vaststellen van de diagnose obstructief slaapapneu syndroom niet anders. Greveling ziet geen argumenten om appellante meer beperkt te achten ten aanzien van concentratie en het verdelen van aandacht dan eerder is gedaan. Nu er geen reden is om aan te nemen dat er objectief gezien sprake is van toename van beperkingen als gevolg van vermoeidheid, ziet Greveling evenmin aanleiding om meer beperkingen aan te nemen dan in 2003 in de rubriek werktijden. Wanneer appellante werkzaam is in passende arbeid, waarbij met haar energetische beperkingen rekening is gehouden, is er geen reden haar daarnaast nog in uren te beperken.
6.4. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat uit het verzekeringsgeneeskundig onderzoek van bezwaarverzekeringsarts Greveling blijkt dat op zorgvuldige wijze is bezien of sprake is van een toename van geobjectiveerde beperkingen en dat afdoende is gemotiveerd waarom een eigen medisch onderzoek in 2010 door Greveling geen toegevoegde waarde had. Appellante heeft nagelaten aan te geven welke voor de oordeelsvorming relevante informatie door Greveling zou zijn gemist. De Raad is verder met de rechtbank van oordeel dat het Uwv met het rapport van bezwaarverzekeringsarts Greveling van 27 juli 2010 thans voldoende draagkrachtig heeft gemotiveerd waarom geen sprake is van een relevante toename van beperkingen op basis van vermoeidheidsklachten. Hetgeen appellante in hoger beroep naar voren heeft gebracht leidt de Raad niet tot een ander oordeel. Ook bij de schatting in 2003 was de slaapbehoefte van appellante reeds bekend en is daarmee met het vaststellen van de beperkingen rekening gehouden. Appellante heeft evenals bij de rechtbank in hoger beroep geen medische gegevens in het geding gebracht waaruit blijkt dat naar objectieve maatstaven gemeten er in vergelijking tot 2003 sprake is van toename van haar medische beperkingen.
6.5. Uit hetgeen is overwogen onder 6.1 tot en met 6.4 volgt dat het bestreden besluit een juiste uitvoering is van de uitspraak van de Raad van 26 februari 2010 en dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
7. De Raad acht geen termen aanwezig om over te gaan tot een proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en B.M. van Dun en B.J. van der Net als leden, in tegenwoordigheid van N.S.A. El Hana als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 september 2011.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) N.S.A. El. Hana.
JL