Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2011:BT2086

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
20 september 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11-1974 WWB
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 13 lid 1 sub a WWBArt. 16 lid 1 WWB
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing bijzondere bijstand voor huurkosten tijdens detentie wegens ontbreken acute noodsituatie

Appellant vroeg bijzondere bijstand aan voor doorbetaling van de huur tijdens zijn detentie van 27 april 2010 tot en met 21 februari 2011. Het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Gravenhage wees deze aanvraag op 10 augustus 2010 af en verklaarde het bezwaar ongegrond. De rechtbank bevestigde dit besluit.

In hoger beroep oordeelt de Centrale Raad van Beroep dat op grond van artikel 13 lid 1 sub a WWB Pro personen die hun vrijheid zijn ontnomen geen recht op bijstand hebben. Alleen bij zeer dringende redenen kan het college hiervan afwijken, maar dit vereist een acute noodsituatie die niet op andere wijze kan worden verholpen.

De Raad stelt vast dat het risico dat de huurovereenkomst wordt ontbonden wegens niet betalen van huur tijdens detentie niet als een acute noodsituatie geldt. Bovendien is niet gebleken dat de woning daadwerkelijk is ontruimd. Het college hanteert een buitenwettelijk beleid waarbij bijstand in de vorm van een lening wordt verstrekt indien de detentie niet langer dan zes maanden duurt. Omdat de detentie van appellant langer was, is het besluit van het college in overeenstemming met het beleid.

De Raad wijst het hoger beroep af en bevestigt de eerdere uitspraak. Er worden geen proceskosten toegewezen.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de afwijzing van bijzondere bijstand voor huurkosten tijdens detentie wordt bevestigd.

Uitspraak

11/1974 WWB
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 23 februari 2011, 10/7983 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Gravenhage (hierna: College)
Datum uitspraak: 20 september 2011
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. A.H. Westendorp, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 9 augustus 2011, waar partijen, het College met voorafgaand bericht, niet zijn verschenen.
II. OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Op 25 mei 2010 heeft appellant een aanvraag ingediend om bijzondere bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) voor doorbetaling van de huur tijdens zijn detentie. Appellant was gedetineerd van 27 april 2010 tot en met 21 februari 2011.
1.2. Bij besluit van 10 augustus 2010 heeft het College deze aanvraag afgewezen.
1.3. Bij besluit van 12 oktober 2010 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 10 augustus 2010 ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van
12 oktober 2010 ongegrond verklaard.
3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen deze uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. In artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB is bepaald dat degene aan wie rechtens zijn vrijheid is ontnomen, geen recht heeft op bijstand. Uit de wetsgeschiedenis komt naar voren dat dit voorschrift geldt voor het recht op algemene en bijzondere bijstand.
4.2. Artikel 16, eerste lid, van de WWB bepaalt dat het college aan een persoon die geen recht op bijstand heeft, in afwijking van deze paragraaf bijstand kan verlenen indien zeer dringende redenen daartoe noodzaken. Volgens vaste rechtspraak van de Raad dient vast te staan dat sprake is van een acute noodsituatie en dat de behoeftige omstandigheden waarin de belanghebbende verkeert op geen enkele andere wijze zijn te verhelpen, zodat het verlenen van bijstand volstrekt onvermijdelijk is.
4.3. Met het College en de rechtbank, en anders dat appellant in hoger beroep heeft gesteld, is de Raad van oordeel dat van een acute noodsituatie in bovengenoemde zin in het geval van appellant geen sprake is. Evenals de rechtbank verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 7 juni 2005, LJN AT7273, waarin de Raad heeft overwogen dat de omstandigheid dat betrokkene als gevolg van zijn detentie onvoldoende middelen heeft om de huur van zijn woning te betalen en daardoor het risico loopt dat de verhuurder de huurovereenkomst laat ontbinden en de woning moet worden ontruimd, niet als een acute noodzaak kan worden aangemerkt. Overigens merkt de Raad op dat niet is gebleken dat de woning van appellant daadwerkelijk is ontruimd.
4.4. Dit brengt mee dat het College niet de bevoegdheid toekwam de aanvraag van appellant in te willigen.
4.5. Blijkens de gedingstukken hanteert het College een buitenwettelijk beleid dat inhoudt dat voor de kosten van doorbetaling van huur tijdens detentie bijzondere bijstand in de vorm van een lening wordt verstrekt, onder de voorwaarde dat de detentieperiode niet langer duurt dan zes maanden. Dit beleid moet naar het oordeel van de Raad worden gekwalificeerd als buitenwettelijk begunstigend beleid. Volgens vaste rechtspraak van de Raad betekent dit dat de aanwezigheid en de toepassing van dat beleid als gegeven wordt aanvaard, met dien verstande dat wordt getoetst of het beleid op consistente wijze is toegepast.
4.6. Vaststaat dat de detentieperiode van appellant langer dan zes maanden heeft geduurd. De Raad moet, hiervan uitgaande, vaststellen dat de besluitvorming van het College in overeenstemming is met het door hem gevoerde beleid. De grond van appellant dat hij wel aan de voorwaarden van het beleid voldoet omdat hij, overigens eerst in bezwaar, zijn aanvraag om bijstand heeft beperkt tot de periode van oktober 2010 tot en met februari 2011, derhalve over een periode korter dan zes maanden, kan niet slagen. Het beleid van het College gaat immers niet uit van de periode waarover bijstand wordt gevraagd, maar van de periode van detentie.
4.7. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham, in tegenwoordigheid van R.L.G. Boot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 september 2011.
(get.) A.B.J. van der Ham.
(get.) R.L.G. Boot.
HD