ECLI:NL:CRVB:2011:BT2079
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-ontvankelijkverklaring bezwaar tegen inhouding huur op bijstand
Appellante ontving bijstand volgens de norm voor een alleenstaande ouder en had het College schriftelijk gemachtigd om de maandelijkse huur rechtstreeks aan de verhuurder te betalen. In januari 2010 vond een inhouding van huur plaats op haar bijstand, waartegen appellante bezwaar maakte omdat zij in die maand was verhuisd en de inhouding volgens haar onterecht was.
De rechtbank verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk omdat de uitkeringsspecificatie geen besluit in de zin van de Awb was, aangezien de inhouding overeenkwam met eerdere maanden en geen nieuw rechtsgevolg creëerde. Appellante voerde in hoger beroep aan dat het College ten onrechte had nagelaten de inhouding ongedaan te maken, mede omdat haar dochter de bijstandsconsulente had geïnformeerd dat de inhouding niet diende plaats te vinden.
De Raad oordeelde dat de inhouding in overeenstemming was met de schriftelijke machtiging van 2005 en dat er geen sprake was van een nieuw rechtsgevolg. Bovendien was niet gebleken dat appellante voorafgaand aan de inhouding het College had verzocht de inhouding ongedaan te maken of haar machtiging had ingetrokken. Ook was niet aannemelijk dat de bijstandsconsulente voorafgaand aan de inhouding op de hoogte was gesteld door de dochter van appellante.
Daarom werd het hoger beroep verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd. De Raad zag geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: De niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar tegen de inhouding van de huur op de bijstand over januari 2010 wordt bevestigd.