ECLI:NL:CRVB:2011:BT1769
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- C.P.J. Goorden
- F.A.M. Stroink
- Rechtspraak.nl
Herstel besluit UWV over weigering ziekengeld na toetsing geschiktheid voor eigen arbeid
Appellant was werknemer bij een BV en ontving sinds december 2008 een ziekengelduitkering. Het UWV weigerde vanaf 24 januari 2009 verdere uitkering omdat appellant volgens hen niet langer ongeschikt was voor arbeid, gebaseerd op functies uit een eerdere WAO-beoordeling.
De rechtbank vernietigde het besluit van het UWV en oordeelde dat appellant wel werknemer was in de zin van de Ziektewet. De rechtbank vond echter dat appellant niet ongeschikt was voor ten minste één van de in het kader van de WAO-beoordeling geselecteerde functies, waardoor het subsidiaire standpunt van het UWV standhield.
De Raad stelt vast dat de toetsing van geschiktheid moet plaatsvinden ten opzichte van de arbeid die appellant daadwerkelijk bij de BV verrichtte, niet de eerder geselecteerde WAO-functies. Omdat het UWV deze toetsing niet heeft uitgevoerd, mist het bestreden besluit een deugdelijke grondslag.
De Raad draagt het UWV op binnen zes weken het gebrek te herstellen door een arbeidskundig en verzekeringsgeneeskundig rapport op te stellen over de geschiktheid van appellant voor zijn eigen arbeid vanaf 24 januari 2009.
Deze tussenuitspraak bevestigt het belang van een juiste toetsing aan de feitelijke arbeid bij beoordeling van ziekengelduitkeringen.
Uitkomst: Het UWV moet het besluit tot weigering van ziekengeld herzien door een juiste toetsing van de geschiktheid van appellant voor zijn eigen arbeid.