ECLI:NL:CRVB:2011:BT1763
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen bijstand toegekend wegens ontbreken feitelijk verblijf op opgegeven adres
Appellante vroeg bijstand aan op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) voor de periode vanaf 1 december 2008. Het College van burgemeester en wethouders van ’s-Gravenhage verleende bijstand pas vanaf 20 februari 2009, de dag waarop appellante zich inschreef op het adres van haar moeder. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen deze beslissing ongegrond omdat zij niet aannemelijk had gemaakt dat zij in de periode van 1 december 2008 tot 20 februari 2009 feitelijk op het adres van haar moeder verbleef.
In hoger beroep stelde appellante dat zij het adres van haar moeder als postadres gebruikte en feitelijk bij vrienden verbleef, omdat haar woning was gesloopt en zij niet in de aangeboden anti-kraakwoning wilde wonen. De Raad oordeelde dat appellante onvoldoende objectief bewijs had geleverd om het feitelijk verblijf op het adres van haar moeder aannemelijk te maken. De verklaring van haar moeder was onvoldoende en het aanvraagformulier voor werkloosheidsuitkering waarin appellante aangaf bij vrienden te verblijven, ondersteunde haar stelling niet.
De Raad concludeerde dat het College terecht geen bijstand heeft verleend over de betwiste periode en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van bijstand over de periode 1 december 2008 tot 20 februari 2009 wordt bevestigd.