ECLI:NL:CRVB:2011:BS8907

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
9 september 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-5316 WAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • T. Hoogenboom
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 43a WAO
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing WAO-uitkering wegens ontbreken toegenomen arbeidsongeschiktheid binnen vijf jaar

Appellant heeft een aanvraag ingediend voor een WAO-uitkering wegens vermeende toegenomen arbeidsongeschiktheid sinds december 1991. Het UWV wees de aanvraag af omdat niet is vastgesteld dat appellant binnen vijf jaar na een eerdere beoordeling vier weken onafgebroken meer arbeidsongeschikt is geworden door dezelfde ziekteoorzaak.

De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat de medische beoordeling van het UWV, gebaseerd op rapporten van verzekeringsartsen en behandelend psychiaters, deugdelijk is. Appellant bracht geen nieuwe medische gegevens in die tot een ander oordeel zouden leiden.

In hoger beroep stelde appellant dat zijn klachten zijn toegenomen en dat hij bereid is tot nader onderzoek, maar de Raad vond geen aanleiding om af te wijken van het eerdere oordeel. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de afwijzing van de WAO-uitkering bevestigd.

Uitspraak

10/5316 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats], Marokko (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 1 september 2010, 09/4424 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 9 september 2011
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Appellant heeft bij brief van 20 december 2010 naar aanleiding van het verweerschrift een nadere reactie, met bijlage, overgelegd waarop door het Uwv is gereageerd.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 juli 2011. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Sluijs.
II. OVERWEGINGEN
1. Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar rubriek 1 van de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.
2.1. Appellant heeft op 14 mei 2009 een aanvraag om WAO-uitkering gedaan op grond van artikel 43a van de WAO vanwege sedert december 1991 toegenomen beperkingen die volgens appellant tot volledige arbeidsongeschiktheid hebben geleid, hetgeen door de artsen van de Caisse Nationale de la Sécurité Sociale (CNSS) in hun rapportages uit 1991 en 1996 is bevestigd. Na onderzoek heeft verzekeringsarts J. van Oort in zijn rapport van 8 januari 2009 geconcludeerd dat er in de periode tussen 22 februari 1991, einde wachttijd met betrekking tot een WAO-beoordeling, en 22 februari 1996 geen sprake is van toegenomen lichamelijke beperkingen uit dezelfde ziekteoorzaak geldend per eerder genoemde einde wachttijd. Bij besluit van 24 april 2009 heeft het Uwv de aanvraag van appellant afgewezen, omdat hij niet vier weken onafgebroken toegenomen arbeidsongeschikt is door dezelfde ziekteoorzaak binnen vijf jaar na een eerdere afschatting.
2.2. Na bezwaar tegen het besluit van 24 april 2009 heeft bezwaarverzekeringsarts W.M. Koek in haar rapport van 14 september 2009 uiteengezet dat er geen argumenten zijn om af te wijken van het door de verzekeringsarts ingenomen standpunt. De bezwaarverzekeringsarts stelt dat uit geen van de overgelegde medische stukken blijkt dat appellants pink- en elleboogklachten, waarvoor per einde wachttijd beperkingen zijn aangenomen, zijn toegenomen. Tot deze conclusie komt deze arts ook ten aanzien van de geclaimde toegenomen psychische beperkingen. Uit de in het dossier aanwezige rapporten van de behandelend psychiaters blijkt naar het oordeel van deze arts niet dat de psychische beperkingen welke per einde wachttijd werden aangenomen en zijn neergelegd in het belastbaarheidspatroon van 31 januari 2007 en waarvan de juistheid door de Raad in zijn uitspraak van 24 juni 2009, LJN BJ2363 is onderschreven, zijn toegenomen in de periode in geding. Ten aanzien van de geclaimde toegenomen beperkingen vanwege hypertensie en allergie klachten vermeldt deze arts voorts dat bij einde wachttijd ten aanzien van de klachten geen beperkingen zijn aangenomen. Beperkingen die zijn ontstaan binnen vijf jaar na einde wachttijd als gevolg van deze aandoeningen kunnen niet worden meegenomen. Bij besluit van 14 september 2009 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.
3.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft ten aanzien van de medische grondslag van het besluit overwogen dat, gelet op de eerder genoemde uitspraak van de Raad, uitgegaan dient te worden van de juistheid van de ten aanzien van appellant per
22 februari 1991 vastgestelde beperkingen. Voorts heeft de rechtbank, onder verwijzing naar een uitspraak van de Raad van 6 juni 2003, LJN AH8579, overwogen dat het Uwv niet gehouden was om het medisch onderzoek over te dragen aan een Marokkaanse instantie. De rechtbank heeft, nu de artsen van het Uwv hun oordeelsvorming mede hebben gebaseerd op informatie uit de behandelend sector in Marokko, geen aanleiding gezien het onderzoek onvoldoende zorgvuldig te achten. De rechtbank heeft tenslotte overwogen en dat het bestreden besluit berust op een deugdelijke medische grondslag.
3.2. Onder verwijzing naar een uitspraak van de Raad van 8 juni 2007, LJN BA7344, heeft de rechtbank ten aanzien van de arbeidskundige beroepsgronden overwogen dat, nu geen aanleiding is om te twijfelen aan de vaststelling van de artsen van het Uwv dat geen sprake is van een toename van de beperkingen, de rechtbank niet toekomt aan de beoordeling van de door appellant aangevoerde arbeidskundige gronden.
4. Appellant heeft in hoger beroep uiteengezet dat zijn klachten zijn toegenomen en dat hij niet in staat is om arbeid te verrichten. Voorts stelt appellant dat het Uwv geweigerd heeft hem voor nader onderzoek op te roepen en dat hij bereid is aan en lichamelijk onderzoek mee te werken.
5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
5.1. De Raad overweegt dat hij zich geheel kan vinden in het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag liggende overwegingen. Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd bevat, in vergelijking met zijn stellingen in eerste aanleg, geen nieuwe gezichtspunten hetgeen hij daaromtrent heeft aangevoerd heeft de Raad niet tot een ander oordeel gebracht dan het in de aangevallen uitspraak neergelegde oordeel van de rechtbank. Appellant heeft in hoger beroep voorts geen, op de periode in geding betrekking hebbende, objectieve medische gegevens ingebracht waaruit blijkt dat het door het Uwv in het bestreden besluit ingenomen en door de rechtbank bevestigde standpunt onjuist is.
5.2. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep van appellant niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar 9 september 2011.
(get.) T. Hoogenboom.
(get.) M.A. van Amerongen.
KR