ECLI:NL:CRVB:2011:BR5569
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante, werkzaam als toezichthouder, viel uit wegens lichamelijke klachten gerelateerd aan een knieoperatie en vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV weigerde deze omdat de arbeidsongeschiktheid minder dan 35% werd vastgesteld. Na bezwaar en aanvullend medisch onderzoek door een bezwaarverzekeringsarts werd het besluit gehandhaafd. Psychische klachten werden als niet ernstig genoeg beoordeeld om extra beperkingen toe te kennen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de psychische klachten pas na de datum in geding waren ontstaan. Ook de arbeidskundige beoordeling van de functies die appellante zou kunnen vervullen werd als juist beoordeeld.
In hoger beroep voerde appellante aan dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld over de psychische klachten en verzocht om benoeming van een onafhankelijke deskundige. De Raad oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat er geen aanwijzingen waren voor ernstigere beperkingen op de datum in geding. De arbeidskundige selectie van functies bleef overeind, ondanks dat één functie vanwege tillen werd uitgesloten.
De Raad concludeerde dat appellante in staat was de overgebleven functies te vervullen en bevestigde het bestreden besluit. Er werd geen aanleiding gezien voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering wegens onvoldoende vastgestelde arbeidsongeschiktheid.