ECLI:NL:CRVB:2011:BR5564
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening WAO-uitkering op medische en arbeidskundige gronden
Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam die het besluit van het UWV handhaafde om haar WAO-uitkering te herzien van 80-100% naar 15-25% arbeidsongeschiktheid. De rechtbank oordeelde dat het verzekeringsgeneeskundige onderzoek op een deugdelijke wijze was uitgevoerd en dat er geen medische objectieve gegevens waren die de juistheid van dit onderzoek in twijfel trokken. Ook de arbeidskundige onderbouwing van het besluit werd als voldoende beoordeeld.
In het hoger beroep stelde appellante dat haar klachten en beperkingen onvoldoende waren meegewogen en dat de verzekeringsarts niet alleen op eigen oordeel had mogen afgaan gezien haar langdurige medische voorgeschiedenis. Tevens werd aangevoerd dat de selectie van geschikte functies onjuist was vanwege onjuiste vaststelling van beperkingen. Een aanvullende brief van een psychiater en psycholoog over PTSS-klachten werd ingebracht, maar het UWV stelde dat deze klachten al waren meegenomen in het oorspronkelijke onderzoek.
De Raad oordeelde dat de gronden van appellante in wezen een herhaling waren van eerdere bezwaren die reeds door de rechtbank terecht waren verworpen. Er was geen aanleiding voor het inschakelen van een deskundige. De Raad bevestigde dat de functies waarop de schatting was gebaseerd geschikt waren voor appellante. Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen omdat het besluit niet onrechtmatig was. De aangevallen uitspraak werd bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellante wordt ongegrond verklaard en de herziening van de WAO-uitkering bevestigd.