ECLI:NL:CRVB:2011:BR5275
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Voortzetting WAZ-uitkering na onrechtmatige intrekking en afwijzing schadevergoeding
Appellant had een WAZ-uitkering die door het UWV per 18 september 2007 werd ingetrokken. De rechtbank verklaarde dit besluit onrechtmatig en vernietigde het, waarbij het UWV werd opgedragen een nieuw besluit te nemen. De Centrale Raad van Beroep liet een psychiatrisch onderzoek uitvoeren, waaruit bleek dat appellant duurzaam ongeschikt is om binnen gebruikelijke arbeidsverhoudingen te functioneren. Op basis hiervan zette het UWV de WAZ-uitkering ongewijzigd voort in de hoogste mate van arbeidsongeschiktheid (80-100%).
Appellant vorderde daarnaast materiële en immateriële schadevergoeding wegens de onrechtmatige besluitvorming, stellende dat hij hinder ondervond bij het opzetten van bedrijfsmatige activiteiten en daardoor inkomsten misliep. De Raad wees dit verzoek af omdat appellant onvoldoende inzicht gaf in de geleden schade en het verband met het besluit, en omdat de ervaren stress en psychisch onbehagen niet voldeden aan de criteria voor immateriële schadevergoeding.
Verder werd het beroep tegen het besluit tot betaling van wettelijke rente toegewezen, maar andere schade wegens vertraging werd niet erkend. Het verzoek tot vergoeding van proceskosten werd eveneens afgewezen, mede omdat appellant zichzelf bijstond en geen derde rechtsbijstand werd verleend. De Raad bevestigde daarmee het eerdere oordeel van de rechtbank en wees de overige verzoeken af.
Uitkomst: De WAZ-uitkering wordt ongewijzigd voortgezet; verzoeken om schadevergoeding en proceskosten worden afgewezen.