ECLI:NL:CRVB:2011:BR4235
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.M. van der Kade
- T.L. de Vries
- H.J. Simon
- Rechtspraak.nl
Geen ongerechtvaardigde ongelijke behandeling bij weigering export kinderbijslag naar Japan
Betrokkene diende bezwaar in tegen het besluit van de Sociale verzekeringsbank om geen kinderbijslag toe te kennen voor zijn kinderen die sinds 2006 in Japan wonen. De rechtbank had het bezwaar gegrond verklaard en het besluit vernietigd, stellende dat het recht op kinderbijslag een eigendomsrecht is en dat de weigering tot export van kinderbijslag naar Japan geen deugdelijke grondslag had.
In hoger beroep oordeelt de Centrale Raad van Beroep dat artikel 7b van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW), ingevoerd bij de Wet BEU, rechtmatig is en dat de export van kinderbijslag exclusief is toegestaan naar landen waarmee een handhavingsverdrag is gesloten. Het ontbreken van een dergelijk verdrag met Japan rechtvaardigt de weigering.
De Raad verwijst naar jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens die een ruime beoordelingsvrijheid aan staten toekent bij het inrichten van sociale zekerheidsstelsels. Het onderscheid naar woonplaats is niet verdacht en de keuze voor bilaterale verdragen is een legitieme methode om wederkerigheid en controle te waarborgen.
Verder oordeelt de Raad dat er geen sprake is van ongelijke behandeling of schending van het eigendomsrecht. De kinderen van betrokkene wonen in een land zonder verdrag, waardoor het recht op kinderbijslag vervalt volgens de wet. De rechtbank heeft ten onrechte het beroep gegrond verklaard en het besluit vernietigd.
De Centrale Raad vernietigt daarom de uitspraak van de rechtbank en verklaart het beroep ongegrond.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot weigering van kinderbijslagexport naar Japan gehandhaafd.